Uitspraak
200709060/1), is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat de afwijkende waarde in het laboratoriumonderzoek is veroorzaakt door andere factoren dan alcoholmisbruik. Dit heeft [appellant] niet gedaan. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr.
200903012/1/H3), is het voorts zelfs mogelijk dat ook in geval van de zwaardere kwalificatie chronisch overmatig alcoholgebruik geen van de waarden die daarvoor een indicatie vormen verhoogd is. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat het derhalve, zelfs wanneer een laboratoriumonderzoek in het geheel geen aanwijzingen voor alcoholmisbruik oplevert, mogelijk is dat de keurend arts op basis van de overige gegevens, in hun onderlinge samenhang bezien, de diagnose alcoholmisbruik stelt.
200904012/1/H3), is er een specialistisch rapport, als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage van de Regeling, indien de betreffende specialist, de psychiater, de betrokkene zelf heeft gezien en aldus direct bij ten minste enig onderdeel van het onderzoek betrokken is geweest. Het is niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of het contact dat de psychiater met betrokkene heeft gehad toereikend is geweest voor de door deze gestelde diagnose. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de beperkte betrokkenheid van de psychiater bij het tweede onderzoek faalt. Dat de psychiater die het tweede onderzoek heeft uitgevoerd de antwoorden op enkele vragen, naar gesteld, niet heeft ontleend aan eigen onderzoek, maar aan het verslag van bevindingen van de eerdere psychiater, maakt, wat daarvan ook zij, het vorenstaande niet anders, nu het verslag van de psychiater op doorslaggevende punten van eigen onderzoek getuigt. Dat de in dit verslag vermelde vragen tijdens het onderzoek, naar gesteld, niet letterlijk aan [appellant] zijn gesteld, is onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van het verslag te twijfelen. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat [appellant] bij het tweede onderzoek heeft verklaard dat hij zichzelf als een gewoontedrinker beschouwt, nu in paragraaf 3.2.1.2 van het verslag van bevindingen de stelling "betrokkene beschouwt zichzelf in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de laatste aanhouding als een gewoonte- of probleemdrinker" met "nee" is beantwoord en de psychiater bij brief van 9 februari 2010 aan het CBR te kennen heeft gegeven dat dit antwoord waarschijnlijk ten onrechte in het verslag is blijven staan, is dit onvoldoende voor het oordeel dat het verslag van bevindingen zodanige gebreken vertoont, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.