Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van
[bedrijf] , te [plaats 1] , Duitsland,
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te Den Haag, verweerder.
[bedrijf 2] , te [plaats 2]
Procesverloop
Overwegingen
“gerede twijfel mogelijk is over de toepassing van de 1% mortaliteitsnorm op de soorten, waaronder in het bijzonder de lokaal aanwezige weidevogelsoorten, die in een (zeer) ongunstige staat van instandhouding verkeren.”Gerede twijfel is te weinig voor de conclusie dat het 1 % mortaliteitcriterium niet mag worden gebruikt. Dat geldt ook voor de nadere reactie van EcoNatura, waarin staat dat het 1% mortaliteitcriterium (slechts) wordt gebruikt als een houvast en dat nader onderzoek naar de gevolgen van het hanteren van dit criterium moet plaatsvinden.
vleermuizen, zoals die in het primaire besluit en in de bij bestreden besluit 1 verleende ontheffing (in de voorschriften 7 en 8) was opgenomen, houdt kort gezegd in dat de windturbines T1, T5 en T9 moeten worden voorzien van een stilstandvoorziening met als alternatief het gebruik van een geautomatiseerd vleermuisdetectiesysteem. Deze drie turbines liggen het dichtst bij de opgaande begroeiing, waar de meeste vleermuizen vliegen. De reden van het opnemen van de stilstandvoorziening was voor verweerder dat daardoor het aantal vleermuisslachtoffers met 80 tot 90 % kon worden verminderd tot ongeveer één slachtoffer per turbine per jaar. In de bij het primaire besluit verleende ontheffing was daar nog voorschrift 9 aan toegevoegd, dat een monitoringsverplichting inhield. Gelet op het volgens verweerder lage aantal slachtoffers heeft hij gemeend de monitoringsverplichting in de bij bestreden besluit 1 verleende ontheffing te moeten schrappen. In de ontheffing die bij bestreden besluit 2 is verleend, is vervolgens ook de stilstandvoorziening geschrapt.
vogelswas opgenomen in de voorschriften 11 tot en met 13 in het primaire besluit. In de bij bestreden besluit 1 verleende ontheffing heeft verweerder deze voorschriften in uitgewerkte vorm gehandhaafd. Verweerder heeft deze voorschriften volgens bestreden besluit 1 opgelegd onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 2 van Pro de Vogelrichtlijn en artikel 5.3 van de Wnb. Daarbij heeft verweerder gesteld dat hij, ook wanneer de staat van instandhouding niet in het geding komt, voorschriften aan ontheffingen kan verbinden wanneer hij deze nodig acht om de populaties van in het wild levende vogelsoorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele vereisten. Verder heeft verweerder in bestreden besluit 1 verwezen naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, die inhoudt dat het voorzorgsbeginsel met zich brengt dat een hoog beschermingsniveau moet worden nagestreefd. [7] Wanneer mogelijk ongunstige gevolgen voor beschermde soorten kunnen optreden, vereist het voorzorgbeginsel dat hieraan groot gewicht moet worden gehecht en dat maatregelen worden genomen. Verweerder heeft erkend dat op voorhand niet met zekerheid kan worden gesteld dat de staat van instandhouding van de vogelsoorten in de toekomst niet in gevaar komt, aangezien de studies naar voorspellingen van aanvaringsslachtoffers te onzeker zijn. Juist daarom heeft verweerder een stilstandvoorziening met monitoringsverplichting opgelegd: met het doel de toekomstige staat van instandhouding niet in gevaar te brengen. Hierbij vond verweerder de looptijd van de ontheffing van belang. De turbines van [bedrijf 2] zullen minimaal twintig jaar aanvaringsslachtoffers veroorzaken, óók onder vogelsoorten die al kampen met dalende populaties. Verweerder achtte het opleggen van een monitoringsverplichting noodzakelijk om inzichtelijk te krijgen of het werkelijke aantal aanvaringsslachtoffers daadwerkelijk onder het niveau van de theoretische voorspellingen blijft. Op deze wijze kan in de toekomst worden bekeken of de ontheffing dekkend is ten aanzien van de aantallen en de soorten, aldus de motivering van verweerder in het ingetrokken bestreden besluit 1.
Omdat de locatie van Windpark De Slufter, zoals overwogen onder 6.3, in relevante opzichten niet vergelijkbaar is met de Eemshaven en de minister niet heeft weerlegd dat de voorspellingen met het Flysafe-model niet bruikbaar zijn voor een stilstandvoorziening, heeft de minister ten onrechte het rapport van Bureau Waardenburg aan het besluit van 29 november 2017 ten grondslag gelegd. Gelet hierop volgt de Afdeling de minister niet in zijn stelling dat met een stilstandvoorziening op basis van voorspellingen met het Flysafe-model een reductie van het aantal slachtoffers onder nachtelijke trekvogels met 75% kan worden bereikt.”