ECLI:NL:RBGEL:2019:2917
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering op basis van ongerechtvaardigde verrijking na beëindiging samenleving afgewezen
Partijen hadden sinds 2001 een affectieve relatie en sloten in 2002 een notariële samenlevingsovereenkomst waarin zij afspraken over de bijdrage in de kosten van de huishouding. In 2013 liep eiseres letselschade op, waarvoor zij een schadevergoeding ontving die op de gezamenlijke rekening van partijen werd gestort. Met deze middelen werden diverse aanpassingen aan de woning van gedaagde gedaan, die in eigendom toebehoorde aan gedaagde.
Na beëindiging van de relatie in 2016 vorderde eiseres van gedaagde een bedrag van ruim €13.700 wegens vermeende ongerechtvaardigde verrijking, omdat de investeringen in de woning haar schadevergoeding zouden betreffen en niet de gemeenschappelijke huishouding. Gedaagde betwistte dit en stelde dat eiseres bewust had gekozen de schadevergoeding op de gezamenlijke rekening te laten storten en dat hij gedurende de relatie voornamelijk de kosten van de huishouding had gedragen.
De kantonrechter oordeelde dat de verrijking van gedaagde weliswaar aannemelijk was, maar niet ongerechtvaardigd omdat de investeringen vanuit de gezamenlijke rekening waren gedaan en partijen stilzwijgend afspraken hadden gemaakt over de besteding daarvan. Eiseres had haar stellingen onvoldoende onderbouwd en kon niet aantonen dat de verrijking ongerechtvaardigd was. De vordering werd daarom afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering van eiseres wegens ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen en partijen dragen elk hun eigen proceskosten.