Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 29 juli 2019
[X] B.V., te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht verweerder.
Procesverloop
mr. [E] .
Overwegingen
tegenwoordig als houdstermaatschappij. [X] wil om deze reden geen onroerend goed meer
op haar balans en is voornemens dit onder te brengen in haar onroerend goed participatie
[F] . Door gebruik te maken van de splitsing- (en voeging) waarbij geen
overdrachtsbelasting verschuldigd is. Dit proces zal minstens een jaar duren en moet nog
worden uitgezocht. Het is de bedoeling dat als het onroerend goed door splitsing van [X]
wordt afgescheiden dat de hypotheek meegaat en zo bij het onroerend blijft. ”
- primair of eiseres een voornemen heeft tot herinvesteren als bedoeld in artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en
- subsidiair of herinvestering in een kwalificerend bedrijfsmiddel heeft plaatsgevonden.
Aangezien eiseres een beroep doet op artikel 3.54 van de Wet IB 2001, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat op haar de last rust om de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat zij een herinvesteringsvoornemen had.
- van meet af aan besloten is dat geherinvesteerd zal worden en dat dit voornemen schriftelijk is vastgelegd in directiebesluiten van 14 december 2007;
- er voldoende liquide middelen zijn aangehouden om te kunnen herinvesteren;
- overleg is geweest met de adviseur en met relaties over mogelijke investeringen;
- een vastlegging heeft plaatsgevonden van het onroerend goed dat werd aangeboden. Daarnaast wordt volgens eiseres de aanwezigheid van een herinvesteringsvoornemen bevestigd door de opname van de HIR in de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2007 tot en met 2009. Tot slot blijkt uit de omstandigheid dat daadwerkelijk is geherinvesteerd dat het voornemen tot herinvesteren continu aanwezig is geweest.
Het vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie dat belanghebbende heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat een herinvesteringsvoornemen bestond.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2010 tot één
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 3.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.024.
mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van drs. S. Lensink, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;