Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 29 juli 2019
[X] B.V., te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
mr. [E] .
Overwegingen
“Het voorstel om [G] te verkopenVanwege de hoogte van de investering en de benodigde financiering die de leencapaciteit vande groep frusteert, is het de bedoeling van de [L] om de vennootschap zo snelmogelijk te verkopen”
Aangezien eiseres een beroep doet op artikel 3.54 van de Wet IB 2001, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat op haar de last rust om de feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat zij een vervangingsvoornemen had.
- van meet af aan besloten is dat geherinvesteerd zal worden en dat dit voornemen schriftelijk is vastgelegd in een directiebesluit van 30 december 2007;
- er voldoende liquide middelen zijn aangehouden om te kunnen herinvesteren;
- overleg is geweest met de adviseur en met relaties over mogelijke investeringen;
- een vastlegging heeft plaatsgevonden van het onroerend goed dat werd aangeboden. Daarnaast wordt volgens eiseres de aanwezigheid van een herinvesteringsvoornemen bevestigd door de opname van de HIR in de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2007 tot en met 2009. Tot slot blijkt uit de omstandigheid dat daadwerkelijk is geherinvesteerd dat het voornemen tot herinvesteren continu aanwezig is geweest.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het belastbaar bedrag van de aanslag Vpb 2010 te worden vastgesteld op € 371.905 (negatief). De overige stellingen van eiseres behoeven geen bespreking.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag Vpb 2010 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 371.905 negatief en stelt het verlies vast op € 371.905;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 3.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.024;
- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 338 aan eiser te vergoeden
mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van drs. S. Lensink, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;