Eiseres ontving bijstand sinds oktober 2013 en stond ingeschreven op een adres in de gemeente Duiven. Naar aanleiding van een onderzoek van de Regionale Sociale Dienst De Liemers (RSD) op basis van onder meer waarnemingen, bankafschriften en verbruiksgegevens van water en elektriciteit, ontstond het vermoeden dat eiseres niet meer haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Verweerder blokkeerde daarom de uitbetaling van de bijstand, trok deze in en beëindigde haar recht op bijstand.
Eiseres voerde aan wel op het adres te wonen en verwees naar persoonlijke omstandigheden die haar medewerking aan een huisbezoek belemmerden. De rechtbank oordeelde dat het gegronde vermoeden van niet-woonachtig zijn op het adres voldoende was en dat het huisbezoek gerechtvaardigd was. Eiseres had de medewerkingsplicht geschonden door het huisbezoek te weigeren.
Verder werd het lage water- en elektriciteitsverbruik, het pingedrag en de waarnemingen als bewijs gezien dat eiseres niet op het uitkeringsadres woonde in de periode van oktober 2016 tot februari 2018. De terugvordering van de bijstand over deze periode werd daarom terecht opgelegd. Dringende redenen om van terugvordering af te zien werden niet aannemelijk gemaakt. De beroepen werden ongegrond verklaard.