ECLI:NL:RBGEL:2019:5640
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nabestaandenuitkering wegens verblijf kind in gezinshuis
Eiseres, moeder van een kind dat sinds 2011 in een gezinshuis verblijft, vroeg een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar man. Verweerder wees de aanvraag af omdat het kind niet tot het huishouden van eiseres behoort, maar tot dat van het gezinshuis. Eiseres voerde aan dat zij onterecht niet is gehoord voorafgaand aan het besluit en dat het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het horen voorafgaand aan het besluit niet verplicht was omdat het bezwaarprocedure dit kon herstellen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezegging was gedaan. De beleidsregel SB1014 werd als redelijk beoordeeld, waarbij het begrip huishouden wordt bepaald door feitelijk samenwonen en sociale binding. Omdat het kind vrijwel geheel in het gezinshuis verbleef, behoort het niet tot het huishouden van eiseres.
Ook het feit dat eiseres gezag heeft, het kind financieel onderhoudt en belangrijke beslissingen neemt, leidt niet tot het toekennen van de uitkering. Het verblijf in het gezinshuis is niet tijdelijk. De rechtbank concludeert dat het gezinshuis een eigen huishouden vormt en dat verweerder terecht de uitkering heeft afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de nabestaandenuitkering omdat het kind in een gezinshuis woont en niet tot het huishouden van eiseres behoort.