De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €50.896,81, gebaseerd op de opbrengst van hennepkwekerijen. De rechtbank nam kennis van het eerdere vonnis waarin veroordeelde werd veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
Tijdens de zitting op 9 december 2019 voerde de verdediging aan dat slechts één oogst in mindering moest worden gebracht, omdat op 17 december 2015 nog werkzaamheden aan de elektra werden verricht, waardoor toen geen sprake kon zijn van een in werking zijnde hennepkwekerij.
De rechtbank achtte dit aannemelijk en concludeerde dat er slechts één oogst was geweest in de bewezenverklaarde periode. Op basis van het rapport BOOM en de aangetroffen planten en restanten werd de bruto en netto opbrengst per kweekruimte berekend. Na aftrek van kosten werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €13.975,75.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.