Eiser, een voormalig rechercheur bij het politiekorps Gelderland-Zuid, leed aan PTSS als gevolg van confrontatie met slachtoffers van roofmoorden in 2008. Hij sloot in 2013 een vaststellingsovereenkomst met Achmea, waarbij finale kwijting werd verleend voor materiële en immateriële schadevergoeding. Eiser verzocht later om herziening van de smartengelduitkering en vaststelling van een tweede percentage blijvende invaliditeit op basis van de in 2014 ingevoerde Coulanceregeling PTSS Politie.
Verweerder wees deze verzoeken af met het argument dat eiser aan de vaststellingsovereenkomst gebonden was en finale kwijting had verleend. Eiser stelde dat de Coulanceregeling een bijzondere omstandigheid vormde waardoor volledige nakoming van de overeenkomst niet meer redelijk was en dat hij geen finale kwijting had verleend voor de coulanceregeling.
De rechtbank oordeelde dat de Coulanceregeling een zodanige bijzondere omstandigheid is dat eiser niet meer in redelijkheid aan de eerdere afspraken kan worden gehouden. De regeling biedt met terugwerkende kracht een gunstiger compensatie en maakt het mogelijk het arbeidsongeschiktheidspercentage mee te nemen in de berekening van smartengeld. Omdat eiser aan de voorwaarden van de regeling voldoet, was het niet redelijk het verzoek af te wijzen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval verweerder een nieuwe beslissing te nemen waarbij een deskundige het tweede percentage blijvende invaliditeit vaststelt. Tevens werden de proceskosten aan eiser toegewezen.