ECLI:NL:RBGEL:2020:2235

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 februari 2020
Publicatiedatum
10 april 2020
Zaaknummer
19/708
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 8 EVRMArt. 17 EVRMArt. 321 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring bezwaarschrift tegen DNA-afname op grond van Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden

Op 8 november 2019 diende veroordeelde een bezwaarschrift in tegen de gedwongen afname van DNA op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Veroordeelde stelde dat deze afname een inbreuk vormt op zijn privacy en lichamelijke integriteit, en in strijd is met de artikelen 8 en 17 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De raadkamer hield op 29 januari 2020 een niet-openbare zitting waarin veroordeelde en de officier van justitie werden gehoord. De officier van justitie handhaafde het standpunt dat de wet een wettelijke grondslag biedt voor de DNA-afname en dat deze noodzakelijk is voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

De raadkamer oordeelde dat de DNA-afname een inmenging in het recht op privéleven is, maar dat deze inmenging wettelijk is voorzien en noodzakelijk is voor de openbare veiligheid. De stelling dat de wet in strijd is met artikel 17 EVRM Pro werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. Ook werd geoordeeld dat de uitzonderingen in artikel 2 van Pro de Wet DNA niet van toepassing zijn op veroordeelde, gelet op het soort misdrijf en de omstandigheden.

Daarom verklaarde de raadkamer het bezwaarschrift ongegrond en bevestigde de rechtmatigheid van de DNA-afname.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de gedwongen DNA-afname wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/862577-13
Raadkamernummer: 19/708
Datum uitspraak: 12 februari 2020
Beschikkingvan de enkelvoudige raadkamer ingevolge artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] , hierna: ‘veroordeelde’,

geboren op [geboortedag 1] 1959 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

De procedure

Op 8 november 2019 is ter griffie van de rechtbank ingekomen een bezwaarschrift ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Het onderzoek in raadkamer

In de niet openbare raadkamer van 29 januari 2020 zijn gehoord:
- veroordeelde;
- de officier van justitie, mr. M. Haan.

Het standpunt van veroordeelde

Veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat het gedwongen afstaan van DNA een inbreuk vormt op de persoonlijke privacy en beschikking over het lijf. De huidige Nederlandse wetgeving op het gebied van DNA-afname vormt een inbreuk op de artikelen 8 en 17 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De veroordeelde merkt ter zitting op dat uit de conclusie van het Openbaar Ministerie volgt dat de regering, ondanks de adviezen van de Nederlandse Orde van Advocaten en het College van procureurs-generaal, ervoor gekozen heeft om de DNA-afname door te zetten. Op grond van het voorgaande is veroordeelde van oordeel dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de conclusie van het openbaar ministerie d.d. 6 januari 2020 en heeft zich ter zitting op het volgende, aanvullende, standpunt gesteld. Uitgegaan dient te worden van de wettekst. Dat bij de totstandkoming van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden besloten is om af te wijken van voorgenoemde adviezen, doet hier niet aan af. De wet geeft in de eerste plaats de wettelijke grondslag voor DNA-afname, hetgeen tevens uit eerdere jurisprudentie volgt. In de tweede plaats bepaalt de wet de reikwijdte. Hier kunnen de meningen over verschillen, maar feit blijft dat gekozen is voor een hele brede reikwijdte. Gelet op het voorgaande dient het bezwaarschrift ongegrond te worden verklaard.

De beoordeling

Het bezwaarschrift is tijdig ingediend.
Veroordeelde heeft zich op het standpunt gesteld dat de wettelijke grondslag, en daarmee de DNA-afname, een inbreuk vormt op de artikelen 8 en 17 van het EVRM. De raadkamer zal eerst ingaan op de gestelde schending van de artikelen 8 en 17 EVRM en daarna op de mogelijke strijd met artikel 2 Wet Pro DNA.
Artikelen 8 en 17 EVRM
De raadkamer overweegt dat afname van celmateriaal
in beginseleen inmenging in het recht op privé-leven, zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het Europese verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), betreft. Deze inmenging is naar het oordeel van de raadkamer evenwel, gelet op het tweede lid van dat artikel, toegestaan. Deze afname van celmateriaal, ten behoeve van het bepalen en verwerken van een DNA-profiel, waaronder onder meer moet worden verstaan het bewaren van celmateriaal, is bij wet voorzien, te weten de wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en was voor veroordeelde voorzienbaar (zie EHRM 7 december 2006, nr. 29514/05 (Van der Velden tegen Nederland), LJN: BA0291 en HR 3 maart 2009,
NJ2009, 141). De afname van celmateriaal, gevolgd door het bepalen en verwerken van een DNA-profiel heeft ten doel voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Daarmee is deze bepaling naar het oordeel van de raadkamer noodzakelijk voor de openbare veiligheid in de Nederlandse samenleving. Gelet op het vorenstaande volgt de raadkamer veroordeelde niet in zijn betoog dat het gegeven bevel in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Evenmin volgt de raadkamer veroordeelde in de stelling dat de huidige Nederlandse wetgeving een regelrechte inbreuk is op artikel 17 van Pro het EVRM nu enige onderbouwing daartoe ontbreekt.
Artikel 2 Wet Pro DNA
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bepaalt dat geen celmateriaal wordt afgenomen als redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van een DNA-profiel gelet op de ‘aard van het misdrijf’ (eerste uitzondering) of ‘de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ (tweede uitzondering) niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2002-2003, 28685, nr. 3, p. 11) wordt daarover onder meer opgemerkt:
‘De eerste uitzondering (…) houdt in dat DNA-onderzoek achterwege blijft bij veroordeelden wegens misdrijven voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn. Deze uitzondering correspondeert met het vereiste van het belang van het onderzoek in het voorbereidend onderzoek. De tweede uitzondering doet zich voor in het geval dat ondanks dat sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf, DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Hierbij valt te denken aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die dat in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstig lichamelijk letsel, ook nooit meer zal kunnen doen. De uitzonderingsmogelijkheid is evenwel niet beperkt tot gevallen waarin het feitelijk onmogelijk is dat de veroordeelde recidiveert.’
Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland van 5 april 2018 is veroordeelde veroordeeld voor artikel 321 van Pro het Wetboek van Strafrecht en artikel 47 van Pro de Wet op het consumentenkrediet.
Ten aanzien van de uitzondering ‘aard van het misdrijf’ oordeelt de raadkamer als volgt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat onder meer verduistering een misdrijf is waar doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten. Hierdoor zou DNA-onderzoek geen bijdrage leveren aan de opsporing en berechting daarvan (Kamerstukken II 2002/03, 28 658, nr. 5). Met de officier van justitie is de raadkamer van oordeel dat de digitalisering sinds de totstandkoming van de wet heeft gemaakt dat ook DNA sporen op gegevensdragers van belang kunnen zijn bij opsporing van voorgenoemde delicten.
Voorts kan evenmin worden gezegd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat veroordeelde eerder andere misdrijven heeft gepleegd of in de toekomst nieuwe misdrijven zal kunnen plegen, zodat ook een beroep op de tweede uitzonderingscategorie niet slaagt.
De raadkamer zal het bezwaarschrift gelet op het voorgaande ongegrond verklaren.
De raadkamer zal derhalve beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de betreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

De raadkamer verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.A.H. Pouwels, als rechter, in tegenwoordigheid van
H. Hadžić, griffier, en uitgesproken ter terechtzitting op 12 februari 2020.
H. Hadžić is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.