Overwegingen
1. Eiseres heeft op 29 april 2016 aangifte Vpb 2014 gedaan naar een verlies van
2. Verweerder heeft eiseres bij brief van 18 juni 2018 bericht de aangifte te zullen corrigeren met een bedrag van € 480.600 naar een belastbaar bedrag van € 214.904
(-/- 265.696 + € 480.600). De correctie ziet op een voorziening wegens vermoedelijke oninbaarheid van een door eiseres verstrekte lening.
3. Verweerder heeft met dagtekening 30 juni 2018 een primitieve aanslag Vpb 2014 aan eiseres opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 214.904.
4. Bij brief ontvangen door verweerder op 4 juli 2018 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
5. Bij beschikking van 28 juli 2018 heeft verweerder de primitieve aanslag Vpb 2014 verminderd door een over het jaar 2015 geleden verlies van eiseres van € 108.512 terug te wentelen. Na de verliesverrekening resteerde een belastbaar bedrag van € 106.392
(€ 214.904 minus € 108.512).
6. Verweerder heeft met dagtekening 23 maart 2019 een navorderingsaanslag Vpb 2015 opgelegd waarbij het door eiseres aangegeven verlies 2015 gecorrigeerd is naar een winst van € 218.505.
7. Verweerder heeft met dagtekening 6 april 2019 een navorderingsaanslag Vpb 2014 aan eiseres opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van € 214.904.
8. Bij brief van 17 april 2019 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.
9. Bij uitspraak op bezwaar van 3 juli 2019 heeft verweerder zowel de aanslag als de navorderingsaanslag gehandhaafd.
10. Verweerder heeft bij verliesherzieningsbeschikking van 28 januari 2020 het verlies over 2015 herzien van € 108.512 naar nihil.
11. In geschil is of de primitieve aanslag en of de navorderingsaanslag in stand kunnen blijven zonder (voorafgaande) verliesherzieningsbeschikking.
12. Eiseres is van mening dat voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslag en de navorderingsaanslag eerst een aparte verliesherzieningsbeschikking had dienen te worden genomen en dat zowel de primitieve aanslag als de navorderingsaanslag vernietigd dienen te worden.
13. Verweerder is van mening dat de door hem bij primitieve aanslag aangebrachte correctie in stand kan blijven omdat eiseres ten onrechte een voorziening heeft opgenomen voor de afwaardering van een lening. Daarnaast is verweerder van mening dat de aanvankelijk aan eiseres verleende verliesverrekening met een verlies voor 2015 op de juiste wijze is teruggenomen. Nadat de rechtbank het onderzoek heeft geschorst heeft verweerder op 28 januari 2020 een verliesherzieningsbeschikking vastgesteld voor het verlies over 2015. Dat eerst de navorderingsaanslag is opgelegd en pas daarna de verliesherzieningsbeschikking is gegeven, doet in dit geval niet ter zake nu eiseres geen expliciet beroep heeft gedaan op de verkeerde volgorde, aldus verweerder.
Beoordeling van het geschil
Primitieve aanslag Vpb 2014
14. Eiseres voert geen gronden aan tegen de door verweerder gemaakte winstcorrectie die ertoe leidt dat het belastbaar bedrag 2014 van eiseres op € 214.904 uitkomt. Uit het betoog van eiseres begrijpt de rechtbank dat de primitieve aanslag moet worden vernietigd omdat voor het jaar 2014 geen aparte beschikking herziening verlies op grond van artikel 20b Wet Vpb aan eiseres is opgelegd. Dit is onjuist. Voor dit jaar geldt dat in het geheel geen sprake is van een door verweerder vastgesteld verlies en dus is een (aparte) verliesherzieningsbeschikking voor dit jaar niet nodig. Het beroep is in zoverre ongegrond.
15. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.
Navorderingsaanslag Vpb 2014
16. Eiseres heeft in beroep gesteld dat verweerder geen aparte beschikking herziening verlies heeft genomen. Dit is vermeld in de brieven van 26 augustus 2019 en
17. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan het opleggen van een navorderingsaanslag vanwege een ten onrechte verrekend verlies, een verliesherzienings-beschikking vooraf dient te gaan.Verweerder heeft pas na het opleggen van de navorderingsaanslag een verliesherzieningsbeschikking genomen. De navorderingsaanslag kan dan ook geen standhouden. Verweerder heeft het gebrek niet geheeld met de verliesherzieningsbeschikking van 28 januari 2020 omdat die na de navorderingsaanslag is genomen. Slechts wanneer een belastingplichtige geen bezwaar heeft tegen een verkeerde volgorde, kan daaraan voorbij worden gegaan.Dat is in dit geval niet aan de orde.
18. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiseres in zoverre gegrond. Ook de rentebeschikking kan geen standhouden.
19. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.310 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van een nadere reactie, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
20. Omdat de rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.