ECLI:NL:RBGEL:2020:3158

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 juni 2020
Publicatiedatum
29 juni 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3041
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 35 ParticipatiewetBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid bezwaar bijzondere bijstand en beoordeling medische noodzaak verhuizing

Eiseres heeft bijzondere bijstand voor inrichtingskosten aangevraagd na verhuizing, welke door verweerder is afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening van de bezwaargronden. De rechtbank oordeelt echter dat de termijnformulering in de ontvangstbevestiging onduidelijk was, waardoor het bezwaar ontvankelijk is.

De rechtbank beoordeelt vervolgens de inhoudelijke gronden van het bezwaar. Eiseres stelt dat er een medische noodzaak was voor de verhuizing vanwege psychische klachten, maar zij heeft onvoldoende medische onderbouwing geleverd. De medisch adviseur van verweerder concludeert dat de medische noodzaak niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank geeft eiseres nog de gelegenheid medische informatie aan te leveren, maar concludeert dat de inrichtingskosten niet als noodzakelijke kosten in de zin van de Participatiewet kunnen worden aangemerkt.

Daarom wordt het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak vervangt het vernietigde bestreden besluit en kan binnen zes weken in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: Het bezwaar is ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar het primaire besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand wordt gehandhaafd wegens onvoldoende medische onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: 19/3041

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[Eiseres A] , te [A] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.G. Blasweiler),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edete Ede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor inrichtingskosten afgewezen.
Bij besluit van 8 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door E. van den Ham.

Overwegingen

1. Eiseres is verhuisd en heeft in verband hiermee op 17 oktober 2018 een aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bij verweerder ingediend. Deze aanvraag is afgewezen bij het primaire besluit. Hiertegen is tijdig
pro formabezwaar gemaakt.
2. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de gronden van bezwaar niet tijdig zijn ingediend. Eiseres is tot uiterlijk 20 maart 2019 in de gelegenheid gesteld om de gronden in te dienen. De gronden zijn op 20 maart 2019 ingediend. Dit is buiten de gestelde termijn, omdat tot uiterlijk 20 maart 2019 inhoudt: tot en met 19 maart 2019. Hierover kan geen misverstand bestaan, omdat in de ontvangstbevestiging staat: ”Mochten de gronden voor deze datum niet zijn ontvangen, dan kan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard worden.”
3. Eiseres voert aan dat de gronden weliswaar een dag te laat zijn ingediend, maar dat dit komt doordat de in de ontvangstbevestiging gestelde termijn verkeerd is opgevat. Eiseres vindt dat verweerder om die reden het bezwaar ontvankelijk had moeten verklaren, aangezien artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een zogenaamde ‘kan-bepaling’ is. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, vindt eiseres onredelijk.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de termijn voor het aanvullen van de bezwaargronden in de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift als volgt is omschreven:
”Ik stel u tot uiterlijk 20 maart 2019 in de gelegenheid de gronden in te dienen. Mochten de gronden voor deze datum niet zijn ontvangen dan kan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard.”
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde termijn tweeslachtig geformuleerd is en daarmee dermate onduidelijk dat verweerder het bezwaar ontvankelijk had moeten verklaren. ’Uiterlijk’ betekent immers ’tot en met’ – wat iets wezenlijk anders is dan ‘tot’ – en als verweerder met ’tot uiterlijk 20 maart 2019’ bedoeld heeft een termijn tot 20 maart 2019 te geven, dan had hij het woord ’uiterlijk’ moeten weglaten. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, moet ervan worden uitgegaan dat de gronden op 20 maart 2019 tijdig zijn ingediend. Uit de begeleidende e-mail bij de indiening van de bezwaargronden blijkt overigens ook dat eiseres de formulering aldus heeft opgevat, nu daarin staat dat dit de laatste dag van de gestelde termijn is. Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal bezien of zij zelf in de zaak kan voorzien.
4.3.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.4.
In geschil is of er een medische noodzaak voor de verhuizing was.
4.5.
Eiseres voert in dit verband aan dat zij last heeft van psychische klachten en zij zich sinds haar verhuizing veel beter voelt. Zo heeft zij geen nachtmerries meer en voelt zij zich veilig. Als het nodig is, wil eiseres het inschakelen van een deskundige in overweging nemen om de medische noodzaak voor de verhuizing verder te onderbouwen.
4.6.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres de medische noodzaak voor de verhuizing niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft een medisch adviseur gevraagd naar de noodzaak voor de verhuizing. Deze medisch adviseur heeft eiseres psychisch onderzocht en kennisgenomen van de schriftelijk en telefonisch door haar huisarts verstrekte informatie. Hoewel de huisarts had aangegeven dat eiseres niet bekend is bij de psychiater, zou eiseres medische informatie van de psychiater toesturen. Dit heeft zij echter niet gedaan. De rechtbank ziet gaan aanleiding om eiseres in de gelegenheid te stellen alsnog medische informatie in het geding te brengen.
4.7.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inrichtingskosten niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Of eiseres voor deze kosten heeft kunnen reserveren behoeft dan ook geen bespreking. Verweerder heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten terecht afgewezen. Dit betekent dat de rechtbank bij wijze van zelf voorzien het bezwaar ongegrond zal verklaren en het primaire besluit zal handhaven.
5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 525,-, wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. De kosten van bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het primaire besluit niet wordt herroepen.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verklaart het bezwaar ongegrond en handhaaft het primaire besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. G.A. Kajim-Panjer, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.