Eiseres ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet vanwege arbeidsongeschiktheid door zwangerschap en bevalling. Verweerder beëindigde het ziekengeld met ingang van 9 september 2019, de datum waarop eiseres een spreekuur bij de verzekeringsarts had. Eiseres betwistte dat de beëindiging per die datum mocht ingaan en stelde dat dit pas per 10 september 2019 kon, omdat zij op 9 september nog op het spreekuur was.
De rechtbank stelt vast dat het geschil beperkt is tot de vraag of het ziekengeld per 9 of 10 september 2019 moet eindigen. Uit de medische rapportage blijkt dat de arts op 9 september 2019 heeft vastgesteld dat eiseres per die datum niet langer arbeidsongeschikt was, maar een duidelijke medische motivering voor een terugwerkende kracht ontbreekt.
De rechtbank oordeelt dat beëindiging van het ziekengeld met terugwerkende kracht per 9 september 2019 niet rechtens juist is. Vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ondersteunt een uitlooptermijn van één dag om de werknemer en werkgever voor te bereiden op werkhervatting.
Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het ziekengeld wordt met ingang van 10 september 2019 beëindigd. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.