ECLI:NL:RBGEL:2020:420
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingplicht bij schenking in de vorm van schuldigerkenning onder ontbindende voorwaarde
Eiseres ontving van haar oom een schenking van €50.000 in de vorm van een schuldigerkenning, waarbij de betaling pas opeisbaar is bij overlijden van de oom of bij bepaalde faillissements- of bewindssituaties. De rechtbank moest beoordelen of de schenkbelasting verschuldigd is op het moment van schuldigerkenning of pas bij daadwerkelijke ontvangst.
De rechtbank stelde vast dat de schenking een verkrijging onder ontbindende voorwaarde betreft, waarbij de schenking onmiddellijk tot stand komt en niet pas bij het overlijden van de schenker. Dit volgt uit de interpretatie van artikel 1, negende lid, van de Successiewet 1956, dat een gift onder opschortende voorwaarde als verkregen wordt gezien bij vervulling van die voorwaarde, en omgekeerd betekent dit dat een schenking onder ontbindende voorwaarde direct ontstaat.
Verder oordeelde de rechtbank dat de rente van 6% die de oom jaarlijks betaalt de waarde van de schenking rechtvaardigt en dat er geen aanleiding is om de waarde lager te stellen dan het nominale bedrag. Ook het argument van eiseres dat dubbele belastingheffing plaatsvindt, werd verworpen omdat verschillende belastingen verschillende feiten belasten. Tenslotte zag de rechtbank geen reden om de lange duur van de bezwaarprocedure te betrekken bij de beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de schenkbelasting direct bij de schuldigerkenning verschuldigd is, zonder gevolgen voor de waardering of de termijn van betaling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat schenkbelasting direct bij schuldigerkenning verschuldigd is.