ECLI:NL:RBGEL:2020:423
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening bijstandsuitkering wegens kostendelende medebewoning dochter
Eiseres ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en haar dochter verbleef van 8 tot en met 28 februari 2019 ingeschreven en feitelijk op het adres van eiseres. Verweerder heeft de bijstand herzien en teruggevorderd omdat de dochter als kostendelende medebewoner werd aangemerkt. Eiseres stelde dat het verblijf van haar dochter tijdelijk was en dat er concreet zicht was op een andere woning, wat zij onderbouwde met het feit dat de dochter sinds augustus 2019 bij haar broer woont en er actief werd gereageerd op woningaanbod.
De rechtbank oordeelt dat voor de beoordeling van het hoofdverblijf de feitelijke situatie in de te beoordelen periode leidend is. Omdat er in februari 2019 geen concreet zicht was op een verhuizing en de dochter feitelijk verbleef bij eiseres, moet zij worden aangemerkt als kostendelende medebewoner. Het feit dat het altijd de bedoeling was om snel een andere woning te vinden, is subjectief en niet doorslaggevend.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht geen aanleiding zag om de bijstand aan te passen op grond van artikel 18 van Pro de Participatiewet, omdat eiseres dit niet met financiële stukken heeft onderbouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de bijstand zijn terecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van de bijstand wordt ongegrond verklaard.