Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2020:423

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 januari 2020
Publicatiedatum
24 januari 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5220
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening bijstandsuitkering wegens kostendelende medebewoning dochter

Eiseres ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en haar dochter verbleef van 8 tot en met 28 februari 2019 ingeschreven en feitelijk op het adres van eiseres. Verweerder heeft de bijstand herzien en teruggevorderd omdat de dochter als kostendelende medebewoner werd aangemerkt. Eiseres stelde dat het verblijf van haar dochter tijdelijk was en dat er concreet zicht was op een andere woning, wat zij onderbouwde met het feit dat de dochter sinds augustus 2019 bij haar broer woont en er actief werd gereageerd op woningaanbod.

De rechtbank oordeelt dat voor de beoordeling van het hoofdverblijf de feitelijke situatie in de te beoordelen periode leidend is. Omdat er in februari 2019 geen concreet zicht was op een verhuizing en de dochter feitelijk verbleef bij eiseres, moet zij worden aangemerkt als kostendelende medebewoner. Het feit dat het altijd de bedoeling was om snel een andere woning te vinden, is subjectief en niet doorslaggevend.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht geen aanleiding zag om de bijstand aan te passen op grond van artikel 18 van Pro de Participatiewet, omdat eiseres dit niet met financiële stukken heeft onderbouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de bijstand zijn terecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van de bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: 19/5220

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2020

in de zaak tussen

[Naam A] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Berk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegente Nijmegen, verweerder
(gemachtigde: T. Marinus).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder met ingang van
8 februari 2019 de bijstand van eiseres herzien naar een bedrag van € 732,54 per maand. Bij besluit van 4 maart 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het bedrag aan verstrekte bijstand over de periode van 8 februari 2019 tot en met 28 februari 2019 teruggevorderd.
Bij besluit van 7 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een alleenstaande. De dochter van eiseres,
[Naam B] (de dochter), is in september 2017 en tussen 4 november 2017 en 21 september 2018 opgenomen geweest in een kliniek van Pro Persona. Daarna werd zij ontslagen uit de kliniek, maar kampte nog steeds met psychische problemen. Zij had toen geen vaste woon- of verblijfplaats. Van 26 juni 2018 tot 4 december 2018 had de dochter een briefadres bij verweerder en daarna tot 8 februari 2019 was zij als niet-ingezetene in de Basisregistratie Persoonsgegevens (Brp) geregistreerd. Vanaf deze laatste datum stond de dochter ingeschreven op het adres van eiseres.
2. Verweerder stelt zich in het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, op het standpunt dat de dochter met ingang van 8 februari 2019 moet worden aangemerkt als kostendelende medebewoner van eiseres. De dochter had namelijk haar hoofdverblijf bij eiseres zonder concreet zicht op het betrekken van een eigen woning, zodat van een tijdelijk verblijf geen sprake was, aldus verweerder.
3. Eiseres voert aan dat wel degelijk sprake was van tijdelijk verblijf. Dat geen concreet zicht was op het betrekken van een andere woning is volgens haar onjuist, omdat de dochter sinds augustus 2019 inwoont bij haar broer. Bovendien werd in de te beoordelen periode wekelijks gereageerd op het woningaanbod van de woningcorporatie en op een kamerverhuurwebsite. Dat dit niet is gelukt kan haar niet worden tegengeworpen, omdat het altijd de bedoeling is geweest om zo snel mogelijk een einde te maken aan de tijdelijke inwoning. Los hiervan hebben juist medewerkers van verweerder erop aangedrongen om de dochter in te schrijven in de Brp met een vast woonadres en kan dit haar dus niet worden verweten, aldus eiseres.
3.1
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De duur van het verblijf is één van de omstandigheden waaruit het hoofdverblijf kan worden afgeleid. [1]
3.2
De rechtbank stelt voorop dat de te beoordelen periode loopt van 8 februari 2019 tot en met 28 februari 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat de dochter gedurende deze periode was ingeschreven op het adres van eiseres en dat zij daar ook feitelijk verbleef. Dat de dochter in augustus 2019 is verhuisd is niet relevant voor het beantwoorden van de vraag of de dochter op het adres van eiseres haar hoofdverblijf had of daar tijdelijk verbleef, omdat dit buiten de te beoordelen periode valt en omdat uit niets blijkt dat al in februari 2019 concreet zicht op een verhuizing was. Een eventueel aandringen van medewerkers van de gemeente om de dochter in te schrijven in de Brp met een vast woonadres is niet doorslaggevend om te kunnen spreken van tijdelijk verblijf, omdat de Brp in dit geval niet leidend is.
3.3
Tussen partijen staat vast dat de dochter voordat zij zich inschreef op het adres van eiseres geen vaste woon- of verblijfplaats had en dat inwoning bij eiseres als een oplossing voor haar zwervende bestaan werd beschouwd. Weliswaar is aannemelijk dat daarna namens de dochter van eiseres zoekwerk is verricht bij de woningcorporatie en op een kamerverhuurwebsite, maar er is niet gebleken dat dit in de te beoordelen periode concreet zicht op een andere woning heeft opgeleverd. Eiseres heeft zelf namelijk te kennen gegeven dat haar dochter te weinig meettijd voor een woning van de woningcorporatie en te weinig geld voor een kamer via de kamerverhuurwebsite had. Dat het altijd de bedoeling is geweest om zo snel mogelijk een woning voor de dochter te vinden, speelt hierbij geen rol, omdat dit om een subjectief gegeven gaat en de feitelijke woonsituatie bepalend is. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich dan ook terecht op het standpunt dat de dochter moet worden aangemerkt als kostendelende medebewoner van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiseres voert verder aan dat verweerder aanleiding had moeten zien om de hoogte van haar bijstand af te stemmen op haar omstandigheden en mogelijkheden op grond van artikel 18 van Pro de Pw. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanleiding voor dit oordeel, omdat deze omstandigheden en mogelijkheden niet met (financiële) stukken zijn onderbouwd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Het voorgaande betekent dat verweerder de bijstand van eiseres over de te beoordelen periode terecht heeft herzien en teruggevorderd.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.F. van den Brink, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 januari 2020
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.CRvB, 30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2117.