De zaak betreft een huurovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] voor een winkelruimte en woonruimten, waarbij [gedaagde partij] de woonruimten onderverhuurde. Door niet-betaling van huurpenningen over meerdere maanden ontstond een aanzienlijke huurachterstand. [gedaagde partij] stelde opschorting van huurbetalingen wegens coronacrisis en gebreken aan de woonruimten, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd en verworpen.
De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang bij ontruiming aanwezig was vanwege de oplopende huurachterstand en het niet behoorlijk exploiteren van de winkelruimte. De huurachterstand rechtvaardigde met voldoende waarschijnlijkheid de ontbinding van de huurovereenkomst in de bodemprocedure. De gevorderde ontruiming van de winkelruimte werd toegewezen met een termijn van 14 dagen na betekening.
Vanwege onderverhuur van de woonruimten aan derden kon ontruiming daarvan niet worden bevolen, maar werd [gedaagde partij] veroordeeld tot afgifte van sleutels, huurovereenkomsten en waarborgsommen aan [eisende partij], en tot mededeling aan onderhuurders over betaling aan [eisende partij]. Tevens werd [gedaagde partij] veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur en wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum tot volledige voldoening. De gevorderde contractuele boete en buitengerechtelijke kosten werden afgewezen.
De proceskosten werden aan de zijde van [eisende partij] toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de machtiging tot ontruiming met politie werd afgewezen wegens overbodigheid volgens de wet.