Eiser en zijn echtgenote, fiscaal partners en ondernemers, kregen voor 2015 een navorderingsaanslag opgelegd met belastingrente over een periode van 1 juli 2016 tot 16 februari 2020. De belastingrente betrof een bedrag van €4.423, zijnde een onterecht uitbetaalde heffingskorting die later werd gecorrigeerd door verrekening van verliezen uit 2018.
Eiser betwistte de belastingrente, stellende dat deze onterecht over de gehele periode werd berekend, omdat de teruggaaf pas op 21 augustus 2019 werd gecorrigeerd en hij geen invloed had op de gescheiden behandeling van de aangiften door verweerder. Verweerder erkende dat de rente onredelijk kon aanvoelen maar zag geen wettelijke grond voor matiging.
De rechtbank oordeelde dat de belastingrente juist was berekend volgens de wettelijke bepalingen, maar dat het evenredigheidsbeginsel meebrengt dat de rente over de periode vóór de foutieve verminderingsbeschikking verminderd moet worden. De rechtbank stelde vast dat verweerder geen verwijt treft en dat eiser tijdig en juist had gehandeld. De rente werd daarom beperkt tot de periode van 21 augustus 2019 tot 16 februari 2020.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.