Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2020
[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster
de burgemeester van de gemeente Elburg te Elburg, verweerder.
[belanghebbende], te [woonplaats]
Rechtbank Gelderland
De burgemeester van de gemeente Elburg heeft besloten het bedrijfspand waarin verzoekster haar winkel exploiteert voor de duur van twee maanden te sluiten vanwege de aanwezigheid en handel in harddrugs via het pand. Dit besluit is genomen op grond van artikel 13b van de Opiumwet, nadat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek 17 kilogram harddrugs in verband met de winkel waren aangetroffen.
Verzoekster betwist de sluiting en stelt dat zij geen wetenschap had van de drugshandel en dat zij alle banden met haar ex-echtgenoot, die als verdachte is aangehouden, heeft verbroken. Zij voert aan dat de sluiting geen doel dient en leidt tot ernstige financiële schade.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de sluiting past binnen het gemeentelijk beleid, waarbij in bijzondere gevallen gemotiveerd kan worden afgeweken van de standaardduur van 12 maanden. Gezien de ernst, aard en omvang van de drugshandel via de winkel en het belang van het signaal aan betrokkenen, is de sluiting van twee maanden niet onevenredig.
De voorzieningenrechter ziet geen aanwijzingen dat de maatregel een strafrechtelijke sanctie betreft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de winkel wordt afgewezen.