Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 44a Wet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek tot schadevergoeding na beleidssepot wegens negeren stopteken afgewezen behalve forfaitaire vergoeding
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 530 SvPro tot vergoeding van kosten rechtsbijstand na een beleidssepot in een strafzaak wegens het negeren van een stopteken op 12 september 2017. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor vergoeding omdat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft dat hij als verdachte is aangemerkt.
De rechtbank overwoog dat bij beleidssepots moet worden beoordeeld of de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid. In deze zaak was dat niet onomstotelijk vast te stellen, mede omdat verzoeker ontkende bestuurder te zijn geweest en de politie dit niet nader had onderzocht. Echter, op grond van het proces-verbaal was vastgesteld dat de persoon die werd staandegehouden zijn personalia had verstrekt en zijn rijbewijs had getoond.
De rechtbank concludeerde dat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft dat hij vervolgd is en dat daarom geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor vergoeding van de kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak zelf. Wel werd een forfaitaire vergoeding van €550 toegekend voor de kosten van het indienen van het verzoekschrift en de schriftelijke conclusiewisseling.
De beslissing werd uitgesproken door rechter C. Kleinrensink op 24 augustus 2020, waarbij de griffier opdracht kreeg het bedrag uit te betalen aan verzoeker.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand afgewezen wegens verwijtbaarheid, met uitzondering van een forfaitaire vergoeding van €550.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 96/040414-18
Rechtbanknummer: 20/5204
Datum uitspraak: 24 augustus 2020
Beschikkingvan de enkelvoudige raadkamer ingevolge artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv)
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verzoeker] , hierna: ‘verzoeker’,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats]
wonende aan de [adres 1] ,
te dezer zake woonplaats kiezende aan de [adres 2] , ten kantore van zijn advocaat mr. N. van Schaik.
De procedure
Op 15 juni 2020 is bij de rechtbank ingekomen een verzoekschrift ex artikel 530 SvPro.
Vanwege de maatregelen die genomen zijn naar aanleiding van het Coronavirus, waardoor een zitting in aanwezigheid van alle partijen mogelijk lange tijd op zich laat wachten, is na overleg met de advocaat, verzoeker en het Openbaar Ministerie besloten de standpunten schriftelijk uit te wisselen.
Het onderzoek in raadkamer
In de openbare raadkamer van 10 augustus 2020 is aanwezig de officier van justitie mr. .
De advocaat van verzoeker en verzoeker zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen en zoals gecommuniceerd, niet verschenen.
Het standpunt van verzoekster
In verzoekschrift heeft verzoeker verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte kosten ten behoeve van de strafzaak, te weten:
€ 929,88 ter zake kosten rechtsbijstand;
PM de forfaitaire vergoeding voor het indienen/behandelen van het
onderhavige verzoekschrift.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. De zaak is geseponeerd vanwege de ouderdom van het feit. Naar het oordeel van de officier van justitie zijn geen gronden van billijkheid aanwezig het verzoek toe te wijzen.
Bij mail van 31 juli 2020 reageert de advocaat van verzoeker op voornoemde conclusie van de officier van justitie en voert het volgende aan.
De officier van justitie citeert uit het proces-verbaal van politie en constateert dat op grond daarvan geen gronden van billijkheid aanwezig zijn het verzoek toe te wijzen.
Vooropgesteld moet worden dat voor beleidssepots geldt dat dient te worden beoordeeld of zich de situatie voordoet dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid. Is dat niet het geval, dan kan het verzoek tot schadevergoeding worden toegewezen. Zie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6479. De bedoelde situatie doet zich in casu niet voor. Zoals uit het verzetschrift blijkt, bestrijdt [verzoeker] dat hij de bestuurder was die op 12 september 2017 door de politie staande is gehouden. Kennelijk heeft die bestuurder zich dus ten onrechte uitgegeven voor [verzoeker] . Naar de juistheid van die verklaring van [verzoeker] , heeft de politie geen onderzoek gedaan. Aldus kan niet gezegd wordt dat deze zaak – ondanks de ontkennende verklaring van [verzoeker] blijkend uit het verzetschrift – onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid.
Daarbij merk ik ten overvloede nog op dat aan het karakter van het sepot (‘oud feit’) in dit verband geen betekenis kan worden toegekend. Ondanks dat het hier een oud feit betreft, was [verzoeker] aanvankelijk immers gedagvaard om op 26 mei 2020 voor de kantonrechter te verschijnen. Dat is heel recent en daar stond de ‘oudheid’ van het feit dus niet aan in de weg. Die dagvaarding werd echter ingetrokken wegens de uitbraak van het Coronavirus. [verzoeker] kwam daar pas achter nadat ik mij als raadsman had gesteld. Mijn werkzaamheden vingen aldus aan toen [verzoeker] nog in de veronderstelling verkeerde dat hij, als ontkennende verdachte, bijstand nodig had voor een kantonrechterzitting. Op 23 mei bleek dat deze zitting geen doorgang zou vinden. Vervolgens ontving ik op 4 juni 2020 de sepotbeslissing. Daarop heb ik mijn werkzaamheden in dit dossier direct afgesloten.
Bij mail van 31 juli 2020 reageert de officier van justitie op voornoemd standpunt van de advocaat en voert het volgende aan.
Uit het proces-verbaal opgemaakt op 13 november 2017 is gebleken dat de verbalisant na de geconstateerde overtreding verdachte [verzoeker] heeft staande gehouden. Na staandehouding werden de personalia van [verzoeker] door de persoon die werd staande gehouden, verstrekt. Dit werd gecontroleerd aan de hand van het rijbewijs van [verzoeker] . Er is voor mij dan ook geen twijfel dat [verzoeker] degene was die achter het stuur zat toen de overtreding werd gepleegd.
De beoordeling
Artikel 530, tweede lid, Sv bepaalt dat, indien een zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte een vergoeding kan worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdsverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting (werkelijk) heeft geleden. Daarnaast kan, met in achtneming van artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand, op grond van deze bepaling een vergoeding worden toegekend in de rechtsbijstandskosten.
Artikel 534, eerste lid Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De raadkamer constateert dat de zaak tegen verzoeker is geëindigd met een sepot gedateerd 29 mei 2020.
Ten aanzien van de inhoud van het verzoekschrift overweegt de raadkamer als volgt.
Namens verzoeker wordt aangevoerd dat wanneer sprake is van een beleidssepot de raadkamer dient te beoordelen of zich de situatie voordoet dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid. Is dat niet het geval, aldus verzoeker, dan kan het verzoek tot schadevergoeding worden toegewezen.
Verzoeker wijst op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 augustus 2019 waarin het Hof het volgende heeft opgemerkt:
In geval van een beleidssepot dient te worden beoordeeld of zich de situatie voordoet dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling van thans verzoeker zou hebben geleid. Is dat het geval dan ontbreken gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding en kan een verzoek als het onderhavige worden afgewezen.
Het hof kan op basis van de stukken in het dossier niet vaststellen dat de zaak onmiskenbaar zou hebben geleid tot een veroordeling van verzoeker.
Het hof is anders dan de rechtbank dan ook van oordeel dat gronden van billijkheid zich niet verzetten tegen toekenning van vergoedingen op grond van de artikelen 89 en 591a Sv.
Bij arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013 (ECLI:HR:2013:BX5566) heeft de Hoge Raad beslist dat relevant kan zijn in hoeverre de gewezen verdachte de gemaakte kosten aan zichzelf te wijten heeft. De onschuldpresumptie verbiedt niet dat rekening wordt gehouden met de destijds bestaande verdenkingen, maar stelt wel grenzen waarbinnen deze beoordeling kan plaatsvinden. Uit de jurisprudentie van het EHRM (15 november 2011, NJ 2013:35) blijkt dat vergoedingen niet kunnen worden geweigerd indien verzoeker bijvoorbeeld gebruik heeft gemaakt van zijn recht te zwijgen maar wel indien verzoeker de gerezen verdenking aan zichzelf te wijten heeft en/of zich misleidend heeft opgesteld. Bij de beoordeling van dat laatste is het niet van belang of de verdenking onmiskenbaar tot een veroordeling zou hebben geleid.
In de onderhavige zaak is op 12 september 2017 een stopteken gegeven aan een weggebruiker. Na claxoneren door de politie stopte de bestuurder van het voertuig, draaide zich om, keek verbalisanten recht aan en reed vervolgens weg. Vervolgens is het voertuig een tweede stopteken gegeven. De bestuurder werd staandegehouden en verstrekte desgevraagd zijn personalia door de verbalisant zijn rijbewijs te overhandigen.
Voorts wordt gesteld dat verzoeker in zijn verzetschrift bestrijdt bestuurder te zijn geweest op 12 september 2017 en dat kennelijk een ander zich ten onrechte heeft uitgegeven voor verzoeker. Naar de juistheid van die verklaring van verzoeker heeft de politie, aldus verzoeker, geen onderzoek gedaan.
Verzoeker heeft inderdaad verzet ingesteld tegen de opgelegde strafbeschikking en wel op 4 november 2017. Daarin stelt verzoeker, zoals de advocaat opmerkt, dat hij op het moment van de aanhouding geen scooter bestuurde aangezien die scooter bij zijn tante stond.
Door de verbalisant [verbalisant] is op 13 november 2017 een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt waarin door hem de bevindingen van de staandehouding op 12 september 2017 zijn vastgelegd. Daaruit blijkt dat de personalia van de persoon die werd staandegehouden door de verbalisant zijn gecontroleerd aan de hand van het door de bestuurder overgelegde rijbewijs.
De raadkamer heeft geen enkele reden de juistheid van dit op ambtseed opgemaakt proces-verbaal in twijfel te trekken. Ook verzoeker heeft de juistheid van dit proces-verbaal niet weersproken.
Op grond van het voorgaande is de raadkamer dan ook van oordeel dat, los van de vraag of de verdenking evident tot een veroordeling zou leiden, verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft dat hij vervolgd is voor het begaan van een strafbaar feit, namelijk het negeren van een stopteken. Dit maakt dat naar het oordeel van de raadkamer geen gronden van billijkheid aanwezig zijn het verzoek, voor zover het betreft de kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak zelf, toe te wijzen.
Kosten opstellen verzoekschriften en schriftelijke conclusiewisseling.
De raadkamer is van oordeel dat, gelet op de gebruikelijke vergoeding inzake verzoekschriften ex artikel 530 SvPro, in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en de schriftelijke conclusiewisseling die daarop volgde, een bedrag van € 550,00, inclusief BTW, kan worden toegewezen.
De beslissing
De raadkamer:
kent toeaan verzoeker een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 550,00 (zegge vijfhonderdvijftig euro)
wijst afhet meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven door mr. C. Kleinrensink, rechter, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 augustus 2020.
De rechter geeft, gelet op vorenstaande beslissing, aan de griffier van deze rechtbank het bevel om, zodra de beslissing onherroepelijk is geworden, een bedrag van € 550,00 (zegge: vijfhonderdvijftig euro) uit te betalen aan verzoeker door overboeking van dat bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van Schaik Van Elst Van Dam Advocaten ovv [verzoeker] /OM.