Art. 2 derde lid onderdeel i AWRArt. 8 EVRMArt. 1:199 BWArt. 1:197 BWArt. 1:3 lid 1 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geen recht op kindvrijstelling erfbelasting bij biologische vader zonder juridisch vaderschap
De zaak betreft een geschil over de toepassing van de Successiewet bij erfbelasting. Eiser, erkend als kind van een andere man dan de biologische vader, erfde een bedrag van de biologische vader die hem niet juridisch heeft erkend. De Belastingdienst paste het hogere tarief en de vrijstelling voor overige verkrijgers toe.
Eiser stelde primair dat hij als biologisch kind recht heeft op tariefgroep I en de kindvrijstelling, en subsidiair dat artikel 8 EVRMPro hem gelijk moet stellen met een juridisch kind. De rechtbank overwoog dat het begrip kind in de Successiewet aansluit bij het Burgerlijk Wetboek, waarin het juridisch vaderschap bepalend is. Biologische verwantschap zonder juridisch vaderschap schept geen familierechtelijke betrekking.
Verder oordeelde de rechtbank dat artikel 8 EVRMPro geen recht geeft om als kind te erven of belast te worden als zodanig. De verwijzing naar eerdere jurisprudentie was niet van toepassing omdat eiser juridisch kind is van een ander. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de toepassing van het lagere tarief en vrijstelling voor overige verkrijgers.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de toepassing van tariefgroep II en de vrijstelling voor overige verkrijgers.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 20/967
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
in de zaak tussen
[eiser] te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak van 13 januari 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de aanslag erfbelasting ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2020.
Namens eiser is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [persoon A1] en [persoon A2] .
Het onderzoek is ter zitting gesloten, waarbij is aangekondigd dat uitspraak zal worden gedaan binnen zes weken. Partijen hebben ter zitting laten weten dat zij geen prijs stellen op een nadere mondelinge behandeling bij verwijzing naar de meervoudige belastingkamer. De rechtbank heeft aanleiding gezien de zaak te heropenen en te verwijzen naar de meervoudige belastingkamer. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser is geboren op [datum 1] 1996.
2. De moeder van eiser is gehuwd met de heer [de heer X] ( [de heer X] ). [de heer X] heeft eiser op 1 oktober 2001 als kind erkend.
3. Op [datum 2] 2017 is [de heer Y] (erflater) overleden. Erflater is de biologische vader van eiser. Eiser is door erflater niet erkend als bedoeld in artikel 1:203 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4. Erflater heeft eiser bij testament tot één van de erfgenamen benoemd. De verkrijging van eiser bedraagt € 503.932.
5. Verweerder heeft de aanslag erfbelasting van eiser opgelegd naar het derdentarief en heeft de vrijstelling voor overige verkrijgers toegepast.
In geschil
6. In geschil is of eiser recht heeft op toepassing van tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen.
7. Eiser heeft primair aangevoerd dat tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen van toepassing zijn, omdat erflater zijn biologische vader is. Subsidiair doet eiser een beroep op gelijkstelling met een kind dat recht heeft op tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen. Op grond van artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) mag volgens eiser geen onderscheid worden gemaakt tussen de biologische vader en de juridische vader, waarbij hij verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Breda van 20 november 2008. [1]
8. Volgens verweerder is biologische verwantschap in dit geval onvoldoende om als kind van erflater te worden aangemerkt. De Successiewet 1956 (Successiewet) sluit aan bij het civiele recht, op grond waarvan eiser een kind is van [de heer X] . Om die reden is artikel 8 EVRMPro niet relevant en de casus van de rechtbank Breda wezenlijk anders. In die procedure had het kind geen juridische vader.
Beoordeling van het geschil
9. Artikel 2, derde lid, onderdeel i, van de Algemene Wet Rijksbelastingen (AWR) definieert het begrip kind als eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn. Het begrip kind komt terug in artikel 32 vanPro de Successiewet waarin de vrijstellingen zijn geregeld. Volgens artikel 24 vanPro de Successiewet is tariefgroep 1 van toepassing op verkrijgingen van de partner en afstammelingen in de rechte lijn. Volgens de Hoge Raad moet het begrip afstammelingen in dit artikel worden opgevat als bloedverwant in de rechte neergaande lijn. [2] Partijen zijn verdeeld over de uitleg van het begrip bloedverwant.
10. Niet in geschil is dat erflater de biologische vader van eiser is. Eveneens niet in geschil is dat [de heer X] de juridische vader is van eiser.
11. Eiser heeft aangevoerd dat artikel 2, derde lid, letter i, van de AWR voor het begrip ‘kind’ aanknoopt bij bloedverwantschap. Door de erkenning van [de heer X] is de biologische band met erflater niet verbroken. Aldus is eiser een bloedverwant gebleven van erflater in de zin van de AWR en heeft hij recht op het toepassing van tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen. Ook in het BW wordt volgens eiser nergens een definitie gegeven van ‘bloedverwantschap’. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar een publicatie in het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR). [3]
12. Verweerder is van mening dat enkel bloedverwantschap (in biologische zin) onvoldoende is om voor tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen in aanmerking te komen. Voor de toepassing van de Successiewet moet in beginsel het BW worden gevolgd, tenzij de fiscale wettekst een afwijking voorschrijft. Uit het BW volgt dat de juridische term bloedverwantschap niet gelijk staat aan feitelijk verwantschap in den bloede, zoals eiser betoogt. Verweerder verwijst naar een reactie op de door eiser genoemde publicatie. [4]
13. De rechtbank ziet, anders dan eiser heeft betoogd, geen aanleiding om in dit geval voor de toepassing van artikel 2, derde lid, onderdeel i, van de AWR af te wijken van hetgeen in artikel 1:199 BWPro omtrent het juridisch vaderschap van een kind is bepaald. De fiscale wetgever heeft in deze bepaling geen afwijkende definitie gegeven van het begrip bloedverwant, zodat de rechtbank van oordeel is dat voor de definitie van dit begrip moet worden teruggevallen op het BW.
14. Hoewel het BW geen definitie geeft van het begrip bloedverwant, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het systeem van de wet dat dit begrip moet worden gezien als de formele familierechtelijke band tussen personen. Een aanwijzing daarvoor is te vinden in artikel 1:3 lid 1 BWPro, waarin een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of een adoptie worden gelijkgesteld met een geboorte als het gaat om de vaststelling van de graad van bloedverwantschap tussen personen. Op grond van artikel 1:197 BWPro staan een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten in familierechtelijke betrekking tot elkaar. Afgezien van een geboorte binnen of na een huwelijk of geregistreerd partnerschap, is op grond van artikel 1:199 BWPro vader van een kind de man die het kind heeft erkend, wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld of die het kind heeft geadopteerd. Nu vaststaat dat erflater ten tijde van de geboorte van eiser niet met de moeder van eiser was gehuwd, erflater eiser niet heeft erkend, het vaderschap van erflater niet gerechtelijk is vastgesteld en erflater eiser niet heeft geadopteerd, heeft dit tot gevolg dat eiser juridisch gezien niet als kind van erflater kan worden aangemerkt. Dit betekent dat er geen familierechtelijke betrekking bestaat tussen erflater en eiser, ook al is er biologische verwantschap tussen hen beiden. [5]
15. Naar Nederlands recht (artikel 1:199 BWPro) is eiser dus niet een kind van erflater. Die kwaliteit is wel vereist voor de toepassing van tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen, zodat de primaire beroepsgrond van eiser faalt.
16. Eiser heeft subsidiair bepleit dat hij op grond van artikel 8 EVRMPro gelijk moet worden gesteld met een kind dat recht heeft op tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen. Niet in geschil is dat er sprake was van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRMPro tussen eiser en erflater.
17. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft beslist dat artikel 8 vanPro het EVRM geen recht op erkenning als erfgenaam inhoudt. [6] Dit arrest moet naar oordeel van de rechtbank zo worden uitgelegd dat als artikel 8 EVRMPro geen recht geeft om in de kwaliteit van kind te erven, het eiser ook geen recht geeft om in de kwaliteit van kind belast te worden voor de toepassing van de Successiewet.
18. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 november 2008 [7] , gaat in dit geval ook niet op vanwege het feit dat eiser volgens de wet het kind is van [de heer X] .
19. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat eiser naar Nederlands recht geen kind is van erflater en daarmee ook niet gelijk hoeft te worden gesteld op grond van artikel 8 EVRMPro. Dat betekent dat verweerder terecht tariefgroep II en de vrijstelling voor overige verkrijgers heeft toegepast. Het beroep dient dus ongegrond te worden verklaard.
20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A.G. Ebben, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;