ECLI:NL:GHAMS:2018:2989
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Biologische vader zonder erkenning niet-ontvankelijk in verzoek beëindiging voogdij gecertificeerde instelling
De zaak betreft een biologische vader die zijn minderjarige dochter niet heeft erkend en verzoekt om beëindiging van de voogdij van een gecertificeerde instelling (GI) en benoeming tot voogd. De rechtbank had hem reeds niet-ontvankelijk verklaard op grond van het ontbreken van erkenning en daarmee het ontbreken van juridisch bloedverwantschap.
In hoger beroep stond alleen de beoordeling van het verzoek op grond van artikel 1:328 BW Pro centraal. Het hof oordeelde dat het begrip bloedverwant in de wet een formele familierechtelijke band betreft, die ontstaat door erkenning, gerechtelijke vaststelling van vaderschap of adoptie. Biologische verwantschap zonder erkenning volstaat niet.
Daarmee is de vader geen bloedverwant in de zin van artikel 1:329 BW Pro en kan hij geen verzoek tot beëindiging van de voogdij indienen. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en verklaarde de vader niet-ontvankelijk. Een eventuele latere erkenning kan tot een inhoudelijke beoordeling leiden, maar dat staat hier niet ter discussie.
Het subsidiaire verzoek tot een onafhankelijk onderzoek werd niet behandeld vanwege de niet-ontvankelijkheid. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van familierechtelijke bepalingen omtrent gezag en voogdij.
Uitkomst: De biologische vader zonder erkenning wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot beëindiging van de voogdij van de gecertificeerde instelling.