Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
V.F.M. JONGERIUS,
HOOP LOBITH INTERNATIONAL B.V.,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 10 februari 2021
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende wijziging van eis
- de akte overleggen producties van Amotani
- de akte overleggen producties tevens houdende wijziging van eis van Hoop Lobith c.s.
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 9 april 2021.
2.De feiten
a) Liefertermin
teilweise Kündigung) op grond van art. 5 van Pro Addendum II jº art. 10 aanhef Pro en onder b) van Addendum I bij de bouwovereenkomst.
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
Schiedsgutachterworden ingeschakeld, zo volgt uit art. 10 sub Pro b) van Addendum II. Dit laatste is in de slotzin van art. 5 van Pro Addendum II bevestigd.
Schiedsgutachtering. [naam] van Arntz-van Helden. Toen de zaak voor vonnis naar de rol werd verwezen had [naam] nog niet gerapporteerd. Thans is daarom ongewis tegen betaling van welk bedrag HLI tot afgifte van het schip is gehouden. Amotani heeft dus in ieder geval niet zonder meer recht op afgifte van het schip. Het in conventie sub III, primair gevorderde is daarom niet toewijsbaar. Ter zake van de overige tot afgifte van het schip strekkende vorderingen is het volgende van belang.
Vertragsstrafevan art. 7 van Pro Addendum II jº art. 6 sub c van Pro Addendum I. Volgens HLI is zij geen boete verschuldigd omdat Amotani de overeenkomst heeft opgezegd, omdat de vertraging te wijten is aan de Covid-19 pandemie en dus sprake is van overmacht,
Höhere Gewalt, in de zin van art. 6 sub c van Pro Addendum I, althans heeft Amotani te veel werkdagen vertraging in rekening gebracht en moet de boete sowieso worden gematigd.
Karenzfristvan art. 6 sub Pro c)
van Addendum I) in mindering, zoals HLI onweersproken heeft opgeworpen en Amotani blijkens prod. 29 ook erkent. Aftrek vanwege de bouwvak is niet aan de orde. Deze dagen zijn niet contractueel van werkdagen uitgezonderd en onweersproken is dat in de bouwvakantie feitelijk gewoon werd doorgewerkt. Aftrek vanwege niet stipte betaling conform art. 7 sub Pro b) van Addendum I door Amotani is evenmin aan de orde. HLI heeft niet meer betwist dat Amotani, zoals zij in randnummer 130 e.v. van haar conclusie van antwoord in reconventie stelt, de facturen van HLI in dit verband steeds tijdig heeft voldaan. HLI heeft dan een boete verbeurd van € 495.000,00 (99 × € 5.000,00).
1.126,00(2,0 punten × tarief € 563,00)
563,00(1,0 punt × tarief € 563,00)