ECLI:NL:RBGEL:2021:4074

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 juli 2021
Publicatiedatum
28 juli 2021
Zaaknummer
9360196 EZ VERZ 21-343
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:202 lid 2 BWArt. 4:1167 OBWArt. 3:302 BWArt. 4:195 BWArt. 4:198 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontheffing wettelijke vereffening nalatenschap en zelfstandige beschikkingsbevoegdheid langstlevende

Op 30 augustus 2014 overleed de erflater, die een geregistreerd partnerschap had met de langstlevende, met wie hij twee minderjarige kinderen had. Bij testament was de ouderlijke boedelverdeling van toepassing verklaard, waarbij alle goederen aan de langstlevende werden toegedeeld onder de verplichting de schulden te dragen. De kinderen kregen een niet opeisbare geldvordering op de langstlevende.

De langstlevende had de nalatenschap zuiver aanvaard en namens de minderjarige kinderen beneficiair. Nu de kinderen inmiddels meerderjarig zijn, verzochten zij samen met de langstlevende ontheffing van de wettelijke vereffening en bevestiging van de zelfstandige beschikkingsbevoegdheid van de langstlevende over alle goederen.

De kantonrechter oordeelt dat het saldo van de nalatenschap positief is en dat geen andere erfgenamen beneficiair hebben aanvaard. Daarom wordt de ontheffing van de vereffening toegewezen. Tevens wordt verklaard voor recht dat de langstlevende zelfstandig bevoegd is over de goederen te beschikken, omdat zonder deze verklaring onduidelijkheid zou bestaan over de rechtsverhouding. De vorderingen van de kinderen blijven bestaan en zijn opeisbaar onder de in het testament genoemde voorwaarden.

Uitkomst: De wettelijke vereffening van de nalatenschap is opgeheven en de langstlevende is zelfstandig beschikkingsbevoegd over alle goederen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team bewind en erfrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaakgegevens 9360196 \ EZ VERZ 21-343 \ en
uitspraak van 28 juli 2021
beschikking
in de zaak van

1.[verzoekende partij 1] handelend:

a. voor zichzelf;
b. in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[erfgenaam2],
2.
[erfgenaam1]
allen wonende te [(woon)plaats]
verzoekende partijen
gemachtigde mr. R.J.S. Hoks te Druten

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 26 juli 2021 met bijlagen.

2.De feiten

2.1.
Op 30 augustus 2014 is te [(woon)plaats] overleden [erflater] , geboren te [(woon)plaats] op [geboortedatum] (hierna: erflater). De laatste woonplaats van erflater was [(woon)plaats] .
2.2.
Erflater was ten tijde van zijn overlijden geregistreerd partner van [verzoekende partij 1] (hierna: [verzoekende partij 1] ). Uit hun geregistreerd partnerschap zijn twee kinderen geboren: [erfgenaam2] (hierna: [erfgenaam2] ) en [erfgenaam1] (hierna: [erfgenaam1] ). Beide kinderen waren ten tijde van het overlijden van erflater minderjarig.
2.3.
Bij testament van 1 november 2000 heeft erflater beschikt over zijn nalatenschap. In het testament heeft erflater het wettelijk versterferfrecht van toepassing verklaard. Verder heeft erflater de ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 4:1167 van Pro het Oud Burgerlijk Wetboek (hierna: OBW) van toepassing verklaard op zijn nalatenschap, waarbij alle zaken en rechten die tot de nalatenschap van erflater behoren aan [verzoekende partij 1] zijn toebedeeld onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen.
[erfgenaam2] en [erfgenaam1] hebben vanwege de overbedeling aan [verzoekende partij 1] ieder een niet opeisbare geldvordering op [verzoekende partij 1] gekregen ten bedrage van het aan hen toekomende erfdeel, berekend in het saldo van de nalatenschap en verminderd met ieders aandeel in de kosten van de uitvaart, eventuele taxatie- en/of boedelkosten en verschuldigde successierechten, voor zover één en ander door [verzoekende partij 1] is voldaan.
2.4.
[verzoekende partij 1] heeft de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard. Bij akte nalatenschap van 9 oktober 2014 heeft [verzoekende partij 1] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[erfgenaam2] en [erfgenaam1] namens hen de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoekers verzoeken de kantonrechter op grond van artikel 4:202 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) om ontheffing van de verplichting om te vereffenen volgens de wet en te bevestigen dat daarmee de langstlevende ( [verzoekende partij 1] ) alleen en zelfstandig bevoegd is over alle goederen van de nalatenschap te beschikken.
3.2.
Verzoekers hebben het volgende aan hun verzoek ten grondslag gelegd. De goederen van de nalatenschap zijn krachtens artikel 4:1167 OBW Pro (de ouderlijke boedelverdeling) toegedeeld aan de langstlevende, doch dient de nalatenschap conform de wet te worden vereffend conform artikel 4:202 BW Pro en zijn de erfgenamen thans samen bevoegd over de goederen van de nalatenschap te beschikken. Omdat nimmer een verzoek tot ontheffing van de vereffening is ingediend, wenst de ouder met destijds als enige het ouderlijk gezag over beide kinderen, alsnog in te dienen. Omdat [erfgenaam1] inmiddels meerderjarig is, heeft hij samen met de langstlevende dit verzoek ondertekend.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 4:202 lid 1 sub a BW Pro geldt als uitgangspunt dat een nalatenschap dient te worden vereffend als deze door één of meer erfgenamen onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard. Ten tijde van het passeren van het testament van erflater bestond nog niet de uitzondering op de verplichting tot vereffening, zoals deze wel in artikel 4:202 lid 3 BW Pro is opgenomen in het kader van de wettelijke verdeling.
4.2.
Op grond van artikel 4:202 lid 2 BW Pro kan de wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam die voor deze beneficiair aanvaard heeft, de kantonrechter verzoeken om ontheffing van de verplichting te vereffenen volgens de wet, indien het saldo van de nalatenschap positief is.
4.3.
Gelet op de overgelegde boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater, alsmede de verklaring van zuivere aanvaarding met ruimschootsverklaring van [verzoekende partij 1] , gaat de kantonrechter ervan uit dat het saldo van de nalatenschap van erflater positief is. Gesteld noch gebleken is dat naast de wettelijk vertegenwoordiger van [erfgenaam2] en [erfgenaam1] andere, meerderjarige erfgenamen de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. Daarom zal het verzoek tot opheffing van de verplichting te vereffenen worden toegewezen.
4.4.
Het verzoek te bevestigen dat [verzoekende partij 1] door de opheffing van de wettelijke vereffening alleen en zelfstandig bevoegd is over alle goederen van de nalatenschap te beschikken, betreft een verklaring voor recht in de zin van artikel 3:302 BW Pro. Een dergelijke verklaring voor recht is een vordering en dient in beginsel bij dagvaarding te worden ingeleid. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319) kan een verklaring voor recht echter ook in een verzoekschriftprocedure worden uitgesproken, mits deze verklaring gebaseerd is op (de aard
en de strekking van) een wetsbepaling en de gevraagde verklaring binnen de grenzen van de
genoemde wetsbepaling blijft en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding in geschil. De kantonrechter is van oordeel dat de gevraagde verklaring voor recht in het onderhavige geval past binnen de grenzen van de vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen in het kader van het verzoek tot opheffing van de verplichting tot wettelijke vereffening. Zonder de gevraagde verklaring voor recht blijven partijen immers in het ongewisse over de onderlinge rechtsverhouding ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid over de goederen van de nalatenschap van erflater.
4.5.
Artikel 129 lid 3 van Pro de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek bepaalt dat in het geval van de ouderlijke boedelverdeling artikel 3:186 lid 1 BW Pro niet van toepassing is. Voor de totstandkoming van de ouderlijke boedelverdeling is daarom geen levering vereist. [verzoekende partij 1] is daardoor van rechtswege eigenaar geworden van de goederen en rechten uit de nalatenschap van erflater, onder de voorwaarden zoals erflater in zijn testament heeft weergegeven en als zodanig in beginsel zelfstandig beschikkingsbevoegd. Indien echter sprake is van wettelijke vereffening zijn alle erfgenamen gezamenlijk vereffenaar op grond van artikel 4:195 BW Pro en aldus tezamen beschikkingsbevoegd op grond van artikel 4:198 BW Pro. Aangezien bij deze beschikking de ontheffing van de wettelijke vereffening zal worden uitgesproken, is daarmee ook de (tijdelijke) gezamenlijke beschikkingsbevoegdheid van de erfgenamen beëindigd. [verzoekende partij 1] wordt daardoor zelfstandig bevoegd om over alle goederen van de nalatenschap van erflater te beschikken.
4.6.
De kantonrechter merkt ten overvloede nog het volgende op. De ontheffing van de verplichting tot vereffening van de nalatenschap van erflater laat onverlet dat de vorderingen van de [erfgenaam2] en [erfgenaam1] op [verzoekende partij 1] zoals onder rechtsoverweging 2.3 omschreven, dienen te worden vastgesteld per de overlijdensdatum van erflater. Deze vorderingen worden opeisbaar ingeval één van de situaties zoals erflater in zijn testament heeft opgenomen, zich voordoet. [verzoekende partij 1] is en blijft bovendien rente over de hoofdsom (de afzonderlijke erfdelen van [erfgenaam2] respectievelijk [erfgenaam1] ) verschuldigd aan [erfgenaam2] en [erfgenaam1] , gelijk aan de wettelijke rente, vanaf de overlijdensdatum van erflater.

5.De beslissing

De kantonrechter,
5.1.
heft de verplichting om de nalatenschap van [erflater] te vereffenen op;
5.2.
verklaart voor recht dat [verzoekende partij 1] zelfstandig beschikkingsbevoegd is over alle goederen van de nalatenschap van erflater te beschikken.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2021.