ECLI:NL:RBGEL:2021:463

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
2 februari 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 5330
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EP EVRMArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingheffing uitkering wegens hulpbehoevendheid niet in strijd met artikel 1 EP EVRM

Eiser ontving een uitkering wegens hulpbehoevendheid die door de Belastingdienst werd meegerekend als belastbaar inkomen, wat ertoe leidde dat eiser minder aanspraak kon maken op inkomensafhankelijke regelingen zoals zorg- en huurtoeslag. Eiser stelde dat dit een individuele en buitensporige last vormde in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.

De rechtbank oordeelde dat de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het belasten van deze uitkering op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM. Voor een individuele last moet eiser aannemelijk maken dat de last zich sterker voordoet dan bij andere gerechtigden, wat niet is gelukt. De rechtbank verwierp het beroep en stelde dat het aan de wetgever is om eventuele rechtstekorten aan te pakken.

De procedure vond digitaal plaats, waarbij partijen hun standpunten toelichtten. De rechtbank benadrukte dat ondanks de wrange uitkomst voor eiser, de rechter beperkte ruimte heeft om in te grijpen bij dergelijke belastingkwesties. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de belastingheffing van de uitkering wegens hulpbehoevendheid wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 20/5330

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2019 een aanslag ( [aanslagnummer] ) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.911.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 september 2020 de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2020. Met instemming van partijen heeft de zitting middels een digitale beeldverbinding plaatsgevonden.
Namens eiser is zijn gemachtigde gehoord. Namens verweerder zijn gehoord [persoon 1] en [persoon 2] .

Overwegingen

Feiten
Eiser heeft op 29 mei 2020 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.911. Dit inkomen bestaat uit een uitkering van het UWV, waaronder een uitkering wegens hulpbehoevendheid van € 6.280,55 (de uitkering).
Verweerder heeft de aangifte gevolgd en met datum 24 juni 2020 een aanslag IB/PVV 2019 opgelegd aan eiser. Eiser heeft hiertegen bij brief ontvangen door verweerder op 26 juni 2020 bezwaar gemaakt.
Geschil
3. In geschil is of de uitkering wegen hulpbehoevendheid terecht tot het belastbaar inkomen van eiser is gerekend. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.
4. Eiser is van mening dat het belasten van de uitkering wegens hulpbehoevendheid in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat de uitkering onderdeel is van het verzamel- en het toetsingsinkomen van eiser, leidt dit ertoe dat eiser geen, of in mindere mate, aanspraak kan maken op inkomensafhankelijke regelingen, zoals onder meer de zorg- en huurtoeslag. Van het brutobedrag van de uitkering blijft na belastingheffing en verdiscontering van de nadelige inkomenseffecten € 424, oftewel 7% netto over. Volgens eiser vormt het gegeven dat 93% van de uitkering ‘verdampt’ voor hem een individuele en buitensporige last.
5. Verweerder is van mening dat gelet op de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever van een schending van artikel 1 EP Pro bij het EVRM op regelniveau geen sprake is. Van een schending op individueel niveau is evenmin sprake, omdat niet gesteld en niet gebleken is dat voor eiser bijzondere feiten en omstandigheden gelden, die niet gelden voor andere rechthebbenden op de uitkering. Ten slotte is verweerder van mening dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat 93% van de uitkering tenietgaat. Volgens verweerder houdt eiser ‘onderaan de streep’ € 1.753 over, of € 731, indien het door eiser betaalde griffierecht en de eigen bijdrage voor rechtshulp moeten worden meegenomen.
Beoordeling van het geschil
6. Voor zover eiser bedoelt te zeggen dat het belasten van de uitkering een schending op regelniveau van artikel 1 EP Pro bij het EVRM betekent, overweegt de rechtbank als volgt. De keuze van de wetgever om de uitkering niet vrij te stellen van inkomstenbelasting, levert op regelniveau geen strijd op met artikel 1 EP Pro bij het EVRM, ook niet als daardoor het verzamel- en het toetsingsinkomen stijgt en bij gevolg geen, of in mindere mate, aanspraak kan worden gemaakt op inkomensafhankelijke regelingen. [1] Zo dit zou leiden tot een rechtstekort, is het aan de wetgever om in te grijpen. Alleen indien de genoemde keuze van de wetgever leidt tot een individuele en buitensporige last is er plaats voor een ingrijpen door de rechter. Dit betekent dus dat de ruimte van de rechtbank om in te grijpen beperkt is tot uitsluitend het geval waarin sprake is van genoemde last. De bewijslast dat sprake is van een dergelijke last rust naar het oordeel van de rechtbank op eiser. Dit betekent dat eiser feiten en omstandigheden moet stellen, en bij betwisting door verweerder aannemelijk moet maken, waaruit volgt dat de last zich in het geval van eiser sterker doet voelen dan in het algemeen het geval is. [2]
7. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eiser hier niet in. Verweerder heeft gemotiveerd weersproken dat de last zich in het geval van eiser sterker doet voelen dan bij andere gerechtigden tot de uitkering het geval is. Hiertegenover heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn geval (wel) uitzonderlijk is. Het beroep van eiser op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 november 2019 [3] maakt dit niet anders. In tegenstelling tot de zaak die voor het hof speelde, is van een netto inkomensachteruitgang bij eiser geen sprake. Juist die inkomensachteruitgang maakt dat het hof tot de conclusie komt dat er voor belanghebbende sprake was van een individuele en buitensporige last, omdat het hof veronderstellenderwijs aanneemt dat voor de meerderheid van de rechthebbenden op de uitkering heeft te gelden dat geen sprake is van een dergelijke achteruitgang. Het gelijk is dus aan verweerder.
8. De rechtbank ziet in dat de uitkomst van deze procedure als onbevredigend kan worden ervaren, aangezien het voor eiser erg wrang is dat een zeer aanzienlijk deel van zijn uitkering verdampt, en dus niet kan worden besteed aan datgene waarvoor de uitkering bedoeld is: de bestrijding van de kosten van eisers hulpbehoevendheid. Om die verdamping tegen te gaan dienen echter diverse wetten en regelingen te worden gewijzigd, en dat is in de eerste plaats het domein van de wetgever en niet dat van de rechter.
9. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9668, r.o. 4.14.
2.Vergelijk Hoge Raad 10 september 2010, ECLI:Nl:HR:2010:BK3103, r.o. 3.3.3.