ECLI:NL:RBGEL:2021:5293
Rechtbank Gelderland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot schorsing concurrentie- en relatiebeding in kort geding
De zaak betreft een vordering in kort geding van een werknemer die het concurrentie- en relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst wilde laten schorsen om elders te kunnen werken. De werknemer trad in april 2021 in dienst bij een concurrerend bedrijf, waarna de werkgever een sommatie stuurde om dit te staken op grond van het beding.
De kantonrechter beoordeelde of het beding onbillijk was in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever. De werkgever stelde dat het beding noodzakelijk was vanwege de kennis van de werknemer over klanten en specifieke vakkennis, en dat het gebied en de duur van het beding niet onredelijk waren.
De werknemer kon onvoldoende aantonen dat zijn belangen zwaarder wogen dan die van de werkgever. Hij had al een andere baan gevonden en onderbouwde niet dat hij ernstig werd benadeeld. Ook een vergoeding wegens belemmering in het vinden van werk werd niet toegekend omdat het beding hem niet in belangrijke mate belemmert.
De kantonrechter wees daarom de vordering af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken op 30 september 2021.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van het concurrentie- en relatiebeding wordt afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.