ECLI:NL:RBGEL:2021:5411

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 oktober 2021
Publicatiedatum
12 oktober 2021
Zaaknummer
8304747 \ CV EXPL 20-1508 / 858
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230j BWArt. 6:233 sub a BWArt. 6:236 BWArt. 6:237 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verbruikskosten Ziggo On Demand, afwijzing afsluit- en administratiekosten wegens oneerlijke bedingen

In deze verstekzaak heeft de kantonrechter van de rechtbank Gelderland op 13 oktober 2021 uitspraak gedaan over een vordering van Ziggo Services B.V. tegen een consument. De kantonrechter bevestigde dat het huren van films via Ziggo On Demand kwalificeert als een aanvullende dienst volgens artikel 6:230j BW. De vordering van €46,41 voor deze dienst werd toegewezen.

De kantonrechter constateerde dat de (pre)contractuele informatieverplichtingen niet volledig waren nageleefd, met name doordat de ingangsdatum van de overeenkomst ontbrak in de bevestigingsbrieven. Desondanks werd aan deze tekortkomingen geen sanctie verbonden, mede vanwege lopende prejudiciële vragen bij de Hoge Raad.

Ziggo had de overeenkomst ontbonden wegens uitblijvende betaling, wat werd bevestigd door de beëindigingsbrief en het terugvragen van apparatuur. De abonnementsgelden werden daarom toegewezen. De kantonrechter beoordeelde ook de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en oordeelde dat de bedingen over afsluitkosten en administratiekosten onduidelijk en oneerlijk waren in strijd met Richtlijn 93/13 EG en vernietigde deze bedingen. Hierdoor werden de gevorderde afsluitkosten van €20,00 en administratiekosten van €10,00 afgewezen.

De overige vorderingen werden toegewezen, met wettelijke rente over de toegewezen hoofdsom van €384,62. De gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van in totaal €285,85. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot betaling van abonnementsgelden en Ziggo On Demand kosten wordt toegewezen, afsluit- en administratiekosten worden afgewezen wegens oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 8304747 \ CV EXPL 20-1508 / 858
uitspraak van 13 oktober 2021
verstekvonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Ziggo Services B.V.
gemachtigde LAVG Groningen
eisende partij
tegen
[gedaagde]
gedaagde partij
niet verschenen

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Op 28 juli 2021 heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen. Voor het verloop van de procedure tot aan dat moment wordt naar dit tussenvonnis verwezen.
1.2.
Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
1.3.
Bij akte van 1 september 2021 heeft de eisende partij haar vordering nader toegelicht.
1.4.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist. De akte geeft geen aanleiding daarop terug te komen.
2.2. (
(Pre)contractuele informatieverplichtingen (in deze procedure)
Op basis van wat de eisende partij in deze procedure heeft gesteld en onderbouwd, moet worden vastgesteld dat ten aanzien van in ieder geval de essentiële informatie niet (volledig) is voldaan aan de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen.
In de door de eisende partij overgelegde bevestigingsbrieven met verzenddatum 6 december 2017 en 4 april 2019, die als duurzame gegevensdrager kunnen worden aangemerkt, is aan de gedaagde partij essentiële informatie met betrekking tot de overeenkomst verstrekt, maar de ingangsdatum van de overeenkomst is niet vermeld, zodat onduidelijk is binnen welke termijn de eisende partij zicht verbindt de dienst(en) te verlenen en per wanneer voor de gedaagde partij een betalingsverplichting ontstaat. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de (pre)contractuele informatieverplichtingen op dit onderdeel niet zijn nageleefd.
De vraag is welke gevolgen dit voor de vordering moet hebben. Er is veel discussie, ook binnen de rechtspraak, over de vraag of en op welke wijze de naleving van de informatieverplichtingen moet worden getoetst en (bij niet naleving) moet worden gesanctioneerd. De wet geeft immers niet steeds een duidelijke sanctie op een schending van de diverse informatieverplichtingen. Dat heeft ertoe geleid dat het voor partijen en hun gemachtigden niet steeds voldoende helder was wat in een procedure van hen verlangd wordt met betrekking tot het stellen en substantiëren ten aanzien van de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Daarom wordt aan eventuele tekortkomingen in deze zaak op dit moment geen sanctie verbonden.
Toekomstige procedures
Op basis van het bovenstaande moet nu voldoende duidelijk zijn wat in het kader van de wettelijke informatieverplichtingen ten aanzien van duurovereenkomsten en/of overeenkomsten tot dienstverlening wordt verwacht, zowel ten aanzien van het bestelproces als ten aanzien van de manier waarop een vordering op basis van koop op afstand of buiten de verkoopruimte moet worden onderbouwd. Zowel handelaren als hun rechtsopvolgers en gemachtigden mogen aldus in staat worden geacht om hun werk(proces) daarop in te richten.
Niet uitgesloten is dat, in tegenstelling tot het onderhavige vonnis, op termijn bij nieuw aan te brengen dagvaardingen wel gevolgen zullen worden verbonden aan het niet voldoen aan de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen. Daartoe zal echter eerst de beantwoording van de prejudiciële vragen van de rechtbanken Noord-Nederland (29 september 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3353) en Amsterdam (21 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6481) aan de Hoge Raad worden afgewacht. In afwijking van wat mogelijk in eerdere vonnissen is vermeld, zal daarom vooralsnog niet per 1 april 2021 worden overgaan tot het verbinden van gevolgen aan het niet (in alle opzichten) naleven van de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen, afgezien van toepassen van de specifieke sancties die de wet op enkele informatieverplichtingen stelt.
Het is aan de eisende partijen en hun gemachtigden om te bepalen of en hoe zij tegen die tijd procedures aanhangig wensen te maken. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het hen waar nodig uiteraard vrij staat om in toekomstige procedures de (al dan niet voorwaardelijke) vorderingen en grondslagen te wijzigen of aan te vullen en daarbij op voorhand rekening te houden met een eventuele vernietiging en de terugwerkende kracht en verdere gevolgen daarvan.
2.3.
Verdere beoordeling van de vordering
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op de vordering met betrekking tot “Films van Ziggo on Demand”. De eisende partij heeft in haar akte uiteengezet dat het huren van films via Ziggo on Demand volgens haar kan worden gekwalificeerd als een aanvullende dienst in de zin van artikel 6:230j BW. Tevens heeft zij het bestelproces toegelicht en schermafdrukken daarvan overgelegd. Op het moment dat de consument in de On-Demand omgeving op de televisie kiest voor de optie ‘Huren’ dan wordt het aanbod van de te huren films getoond. Wanneer de consument een film kiest, wordt aangegeven wat de kosten zijn en wat de huurperiode van deze film is. Bij het selecteren van een film dient een wachtwoord ingevoerd te worden. De consument wordt er dus voor het sluiten van de huurovereenkomst op gewezen wat de kosten van de film zijn en tot wanneer de film bekeken kan worden.
De kantonrechter is met de eisende partij van oordeel dat sprake is van een aanvullende dienst in de zin van artikel 6:230j BW. De eisende partij heeft bovendien voldoende toegelicht dat de uitdrukkelijke instemming van de consument vereist is voordat de aanvullende dienst kan worden afgenomen. Nu de eisende partij heeft voldaan aan de vereisten van artikel 6:230j BW, is het gevorderde bedrag van € 46,41 ter zake de kosten voor “Films van Ziggo on Demand” toewijsbaar.
De eisende partij stelt in haar dagvaarding enerzijds dat zij haar dienstverlening op grond van haar algemene voorwaarden heeft opgeschort vanwege uitblijvende betaling door de gedaagde partij, maar anderzijds stelt zij dat zij haar dienstverlening wegens die uitblijvende betaling heeft beëindigd (waarmee een ontbinding van de overeenkomst zal zijn bedoeld). Gelet op de verdere inhoud van de dagvaarding en daarbij overgelegde producties, moet het ervoor worden gehouden dat de eisende partij de overeenkomst heeft ontbonden. Daartoe is van belang dat in de overgelegde beëindigingsbrief wordt meegedeeld dat het abonnement wordt stopgezet, daarbij een einddatum wordt genoemd en tot afwikkeling van de beëindiging wordt overgegaan in die zin dat de door de eisende partij verstrekte apparatuur wordt teruggevraagd. Dat behelst meer dan een enkele opschorting.
Geen aanleiding bestaat te vermoeden dat de vordering ten aanzien van de gevorderde abonnementsgelden onrechtmatig of ongegrond is. Daarbij is van belang de omstandigheid dat de gedaagde partij de diensten kennelijk zonder commentaar heeft aanvaard dan wel genoten. De abonnementsgelden en de hiervoor besproken kosten voor “Films van Ziggo on Demand” worden daarom toegewezen.
Ten aanzien van één of meer onderdelen van haar vordering beroept de eisende partij zich op haar toepasselijke algemene voorwaarden. Nu deze procedure als gezegd een overeenkomst tussen een handelaar en een consument betreft, moet de kantonrechter op grond van vaste rechtspraak zo nodig ambtshalve beoordelen of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG. Artikel 3 van Pro deze richtlijn bepaalt dat een beding als oneerlijk wordt beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De Nederlandse rechter moet deze toets (onder andere) verrichten via de open norm van artikel 6:233 sub a BW Pro en, meer in het bijzonder, de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Op grond van de open norm is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als het onredelijk bezwarend is, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval. Artikel 5 van Pro de richtlijn bepaalt voorts: “In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. (...)”.
De eisende partij heeft zich in de dagvaarding en bij akte uitgelaten over de (on)eerlijkheid van de betreffende bedingen.
De eisende partij beroept zich ten aanzien van de mede gevorderde afsluitkosten op de artikelen 5.2 en 6.2 van haar algemene voorwaarden.
In artikel 5.2 staat onder meer:
“Komt u een verplichting uit de overeenkomst niet na? Dan kan Ziggo (…)

extra kosten bij u in rekening brengen; (…)”
In artikel 6.2 staat:
“De tarieven kunnen bestaan uit verschillende onderdelen zoals een eenmalig tarief, een installatietarief, een waarborgsom, een vast periodiek tarief of een variabel periodiek tarief.”
De eisende partij beroept zich ten aanzien van de mede gevorderde administratiekosten voor de gekozen betaalwijze (papieren factuur) op artikel 6.10 van haar algemene voorwaarden.
In dat artikel staat:
“Als u anders dan door middel van automatische incasso of via online accorderen betaalt, kan Ziggo u aanvullende kosten in rekening brengen en geldt een betalingstermijn van veertien dagen na factuurdatum.”
Uit deze bedingen volgt niet duidelijk of en in welke gevallen aan de consument daadwerkelijk kosten in rekening worden gebracht en hoe hoog die kosten zijn. De bedingen zijn daarmee niet duidelijk en begrijpelijk opgesteld, zoals vereist volgens artikel 5 Richtlijn Pro 93/13 EG. Gelet hierop worden de bedingen als oneerlijk aangemerkt en daarom vernietigd voor zover het ziet op de gevorderde afsluitkosten en administratiekosten. De bedingen kunnen dus geen grondslag vormen voor de gevorderde afsluitkosten en administratiekosten. Omdat geen andere grondslag voor deze kosten is gesteld of gebleken, worden de afsluitkosten ad € 20,00 en de administratiekosten ad € 10,00 (4x € 2,50) afgewezen.
Voor het overige komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze wordt toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente enkel wordt toegewezen over toegewezen hoofdsom van € 384,62 (€ 414,62 -/- € 20,00 -/- € 10,00).
Gelet op de uitkomst van de procedure, zal de gedaagde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op:
86,85
aan explootkosten
124,00
aan griffierecht en
75,00
aan salaris gemachtigde.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.