Eiser had de inburgeringstermijn met twaalf dagen overschreden en kreeg daarom een boete van €50 opgelegd en moest de lening voor de inburgeringscursus terugbetalen. De rechtbank oordeelt dat de minister de inburgeringstermijn had moeten verlengen op grond van artikel 7b van de Wet inburgering, mede vanwege het overlijden van de broer van eiser en onduidelijkheid veroorzaakt door een app-bericht.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet verwijtbaar is dat hij niet tijdig aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan, mede omdat niet duidelijk is geworden of en waar hij eerder examen had kunnen doen. De minister heeft onvoldoende onderbouwd dat er elders binnen redelijke afstand eerder examen mogelijk was.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het boetebesluit en de terugbetalingsverplichting zonder een nieuw besluit in de plaats te stellen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser. De uitspraak benadrukt de zorgvuldigheid die de minister moet betrachten bij het opleggen van boetes en het toepassen van beleidsregels.