Eiser, woonachtig in Nederland in 2016, ontving een pensioen uit Australië waarop bronbelasting werd ingehouden ten behoeve van het Australische gezondheidszorgsysteem. Tegelijkertijd was eiser in Nederland premieplichtig voor de Wet Langdurige Zorg (WLZ) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Eiser stelde dat sprake was van dubbele belastingheffing omdat hij zowel in Australië belasting betaalde voor gezondheidszorg als in Nederland premies voor vergelijkbare verzekeringen.
De rechtbank stelde vast dat de aanslag IB/PVV 2016 nihil was en dat eiser geen belang had bij het beroep tegen deze aanslag, waardoor dit beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de premies voor de Zvw niet als belastingen in de zin van het Belastingverdrag Nederland-Australië kunnen worden aangemerkt. De premies zijn geen belastingheffing maar premies voor sociale verzekeringen, waardoor geen sprake is van dubbele belastingheffing.
Hoewel de rechtbank begrip toonde voor de onrechtvaardigheid die eiser ervaart door het feit dat hij feitelijk tweemaal betaalt voor gezondheidszorg, concludeerde zij dat de wet- en regelgeving en verdragen hiervoor geen oplossing bieden. Het beroep tegen de aanslag Zvw 2016 werd daarom ongegrond verklaard. Ook het beroep tegen de belastingrente werd ongegrond verklaard omdat daartegen geen afzonderlijke gronden waren aangevoerd.