ECLI:NL:RBGEL:2021:6401

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 december 2021
Publicatiedatum
1 december 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2261
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Belastingverdrag Nederland-AustraliëWet Langdurige ZorgZorgverzekeringswetAlgemene OuderdomswetAlgemene Nabestaandenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen dubbele belastingheffing bij premies gezondheidszorg Nederland en Australië

Eiser, woonachtig in Nederland in 2016, ontving een pensioen uit Australië waarop bronbelasting werd ingehouden ten behoeve van het Australische gezondheidszorgsysteem. Tegelijkertijd was eiser in Nederland premieplichtig voor de Wet Langdurige Zorg (WLZ) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Eiser stelde dat sprake was van dubbele belastingheffing omdat hij zowel in Australië belasting betaalde voor gezondheidszorg als in Nederland premies voor vergelijkbare verzekeringen.

De rechtbank stelde vast dat de aanslag IB/PVV 2016 nihil was en dat eiser geen belang had bij het beroep tegen deze aanslag, waardoor dit beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de premies voor de Zvw niet als belastingen in de zin van het Belastingverdrag Nederland-Australië kunnen worden aangemerkt. De premies zijn geen belastingheffing maar premies voor sociale verzekeringen, waardoor geen sprake is van dubbele belastingheffing.

Hoewel de rechtbank begrip toonde voor de onrechtvaardigheid die eiser ervaart door het feit dat hij feitelijk tweemaal betaalt voor gezondheidszorg, concludeerde zij dat de wet- en regelgeving en verdragen hiervoor geen oplossing bieden. Het beroep tegen de aanslag Zvw 2016 werd daarom ongegrond verklaard. Ook het beroep tegen de belastingrente werd ongegrond verklaard omdat daartegen geen afzonderlijke gronden waren aangevoerd.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2016 is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de aanslag Zvw 2016 ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummers: AWB 20/2261 en AWB 20/2262

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) 2016 ongegrond verklaard. Daarbij is ook in rekening gebrachte belastingrente van € 80 gehandhaafd.
Eiser heeft tijdig beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2021. Eiser is verschenen. Namens verweerder is [persoon 1] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was gedurende het jaar 2016 woonachtig in Nederland. In dat jaar ontving eiser enkel een pensioen uit Australië dat hij heeft opgebouwd in Australische overheidsdienst.
2. Eiser beschikt sinds 2007 over een ontheffing van de Sociale Verzekeringsbank ten aanzien van de verplichte verzekering voor de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet.
3. De Australische wetgeving kent geen afzonderlijke afdracht van sociale zekerheidspremies. De diverse vormen van sociale zekerheid worden aldaar gefinancierd vanuit belastinggeldinkomsten, derhalve vanuit algemene middelen.
Geschil
4. In geschil is het antwoord op de vraag of sprake is van dubbele belastingheffing doordat eiser in Australië (bron)belasting betaalt ten behoeve van ‘health care’ en in Nederland premies betaalt voor de Wet Langdurige Zorg (WLZ) en de Zvw.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Minister, de Belastingdienst en de gerechten het Belastingverdrag Nederland-Australië niet goed interpreteren. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat naar zijn mening onderscheid moet worden gemaakt tussen de premies voor ‘health care’ en die voor het Medicare-systeem in Australië. De premies voor ‘health care’ zijn verdisconteerd in de belastingen waarvoor eiser jaarlijks wordt belast. Medicare-premie wordt apart geheven bij mensen die in Australië wonen. Eiser betaalt zelf geen premie voor de Medicare, omdat hij niet in Australië woont. Maar hij wordt in Australië wel belast voor de ‘health care’ door inhouding van bronbelasting op zijn pensioen. Daarbij heeft eiser opgemerkt dat de premie voor ‘health care’ overeenkomt met de Nederlandse premie volksverzekeringen en het bijdrage-inkomen voor de Zvw. Aangezien eiser in Nederland ook premies verschuldigd is voor zowel de volksverzekeringen als de Zvw is sprake van dubbele belastingheffing, aldus eiser. Eiser heeft daarbij verwezen naar paragraaf 2 van het Commentaar op artikel 2 van Pro het OESO-modelverdrag. Daarin staat dat ‘social security charges, or any other charges paid where there is a direct connection between the levy and the individual benefits to be received, shall not be regarded as “taxes on the total amount of wages”’. Volgens eiser is het omgekeerde geval in Nederland aan de orde: er bestaat geen direct verband tussen de social security charges en de individual benefits to be received. Eiser leidt daaruit af dat de premie volksverzekeringen alsmede de bijdrage voor de Zvw in Nederland om die reden wel als belastingen in de zin van het OESO-modelverdrag kunnen worden aangemerkt.
6. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2016 [1] en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 december 2017 [2] in eerdere procedures van eiser, op het standpunt dat geen sprake is van dubbele belastingheffing.
Beoordeling
7. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanslag IB/PVV 2016 op nihil is vastgesteld (nihilaanslag), terwijl ook geen voorlopige aanslag IB/PVV 2016 aan eiser is opgelegd. Een beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van het beroepschrift geen belang daarbij heeft. [3] Daarvan is sprake als het beroep, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende rechterlijke beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Aangezien hier sprake is van een nihilaanslag en aan eiser daarvóór geen voorlopige aanslag is opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat het beroep aangaande de aanslag IB/PVV 2016 eiser niet in een financieel betere positie kan brengen. Daarom zal de rechtbank het beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2016 niet-ontvankelijk verklaren.
8. Vervolgens zal de rechtbank het beroep met betrekking tot de aanslag Zvw 2016 beoordelen. De rechtbank constateert allereerst dat eiser over (een deel van) het door hem ontvangen pensioen uit Australië feitelijk tweemaal premies heeft betaald, enerzijds in de vorm van Australische belasting met betrekking tot de ‘health care’ en anderzijds in de vorm van Nederlandse premies met betrekking tot de Zvw. Uit de intitulé en artikel 2 van Pro het Belastingverdrag Nederland-Australië volgt dat dit verdrag alleen betrekking heeft op het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de premies voor de Zvw naar hun aard niet als belastingheffing of daaraan gelijkgesteld worden aangemerkt. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de wetgever met het begrip premie, zoals neergelegd in onder meer de Zvw, tevens heeft bedoeld belastingen te heffen, zoals de Hoge Raad in het hiervoor aangehaalde arrest van 22 april 2016 heeft beslist. Eisers uitleg over en toepassing van het commentaar op artikel 2 van Pro het OESO-modelverdrag vindt geen steun in het recht. Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van dubbele belastingheffing.
9. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser onrechtvaardig aanvoelt dat hij over hetzelfde pensioeninkomen feitelijk tweemaal moet betalen voor verzekering van ziektekosten. Dat komt in zijn geval door een overlapping die zich voordoet in de grensoverschrijdende situatie tussen de twee rechtsstelsels van Nederland en Australië. Hiervoor is in de wet en in verdragen (nog) geen passende oplossing opgenomen.
10. Het beroep aangaande de aanslag IB/PVV 2016 is niet-ontvankelijk en het beroep aangaande de aanslag Zvw 2016 is ongegrond.
11. Aangezien eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep aangaande de aanslag IB/PVV 2016 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep aangaande de aanslag Zvw 2016 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.C. Quak, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C.H. Graves, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:704.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:11206.
3.Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878.