Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.De vordering en het verweer
primair: om aan haar, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, bij wijze van voorschot het bedrag van € 148.291,86 te betalen (75% van € 197.722,50), met ingang van
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een geschil over huurachterstand en lekkages in een gehuurde bedrijfsruimte. De huurder, een machinefabriek, had de huur vanaf mei 2020 gedeeltelijk en vanaf september 2020 helemaal niet betaald vanwege lekkages die het productieproces ernstig verstoorden. De verhuurder werd aansprakelijk gehouden voor het gebrek aan het dak en de daardoor ontstane schade.
De huurder vorderde een voorschot op de achterstallige huur en toekomstige huurbetalingen, stellende dat zij de huur mocht opschorten wegens het gebrek. De verhuurder verweerde zich met een exoneratiebeding dat haar aansprakelijkheid uitsluit, tenzij zij het gebrek kende of behoorde te kennen bij het aangaan van de huurovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat er op 17 augustus 2020 sprake was van een gebrek en dat de verhuurder dat kende of behoorde te kennen, mede gelet op eerdere lekkages en afspraken over dakrenovatie. De huurder had daardoor een spoedeisend belang bij betaling van een voorschot, maar slechts gedeeltelijk. Daarom werd de huurder veroordeeld tot betaling van 50% van de achterstallige huur tot en met januari 2021 en 80% van de maandelijkse huur vanaf februari 2021, uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van 50% van de huurachterstand tot en met januari 2021 en 80% van de maandelijkse huur vanaf februari 2021, uitvoerbaar bij voorraad.