Partijen, voormalige geregistreerd partners met drie gezamenlijke kinderen, hadden een co-ouderschapsregeling waarbij geen kinderalimentatie werd betaald. De vrouw verzocht de rechtbank de kinderalimentatie vast te stellen omdat de afspraak volgens haar nietig was en nadelig voor de kinderen.
De rechtbank beoordeelde de mate van contractsvrijheid bij kinderalimentatie en oordeelde dat afspraken nietig zijn indien zij in strijd zijn met de dwingendrechtelijke verplichting dat iedere ouder naar draagkracht moet bijdragen. De gemaakte afspraak bleek een nihilbeding te zijn dat de kinderen tekortdeed.
De rechtbank onderzocht de behoefte van de kinderen en de draagkracht van beide ouders, waarbij rekening werd gehouden met schulden en andere kinderen van de vrouw. De man had een draagkracht van €358 per maand, de vrouw €165. Er was een tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van €1.200 per maand te voorzien.
De rechtbank wees de zorgkorting af vanwege het tekort en stelde de kinderalimentatie vast op €119 per kind per maand, ingaand per 1 maart 2021, vooruitbetaald en uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek van de vrouw werd toegewezen, het meer of anders verzochte afgewezen.