Uitspraak
[verweerder]
Rechtbank Gelderland
De werknemer trad in 2008 in dienst bij de werkgever en werkte als allround haarstyliste. Vanaf juni 2021 betaalde de werkgever het loon niet meer uit, waarna er conflicten ontstonden over vermeende verduistering en het gebruik van het pinapparaat. De werkgever stelde de arbeidsovereenkomst op 29 juni 2021 op staande voet te hebben beëindigd, maar dit werd door de kantonrechter verworpen vanwege gebrek aan eenduidigheid en het feit dat de werknemer haar werkzaamheden bleef verrichten.
De werknemer zegde de arbeidsovereenkomst op 13 september 2021 op wegens dringende reden, veroorzaakt door het onbetaald laten van loon en de bedreigingen van de werkgever. De kantonrechter oordeelde dat het handelen van de werkgever ernstig verwijtbaar was en kende daarom een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe.
De werkgever kon de beschuldigingen van verduistering niet onderbouwen, waardoor deze niet werden aangenomen. De billijke vergoeding werd vastgesteld op €4.750,00 bruto, rekening houdend met de ernst van het verwijt, de duur van het dienstverband en het inkomen van de werknemer na ontslag. De verzoeken van de werkgever tot inzage in bankafschriften werden afgewezen. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de vergoedingen, wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van vergoeding onregelmatige opzegging, transitievergoeding en billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen.