De zaak betreft een handhavingsverzoek van een omwonende tegen een eendenslachterij die zonder natuurvergunning opereert. Het bedrijf heeft wel milieu- en omgevingsvergunningen, maar geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Verweerder heeft het handhavingsverzoek afgewezen met het argument dat er concreet zicht op legalisatie is vanwege een lopende aanvraag.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat de aanvraag nog onvolledig was en de ontwerp-natuurvergunning pas na het bestreden besluit ter inzage is gelegd. Ook is de gebruikte AERIUS-berekening verouderd, waardoor de ontvankelijkheid van de aanvraag niet kan worden vastgesteld.
Verder oordeelt de rechtbank dat de uitbreiding van de inrichting en het gebruik van een illegale luchtwasser een overtreding vormen. De luchtwasser wordt als beschermingsmaatregel beschouwd, waardoor een natuurvergunning vereist blijft. De rechtbank beveelt verweerder aan binnen zes weken een nieuw besluit te nemen en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres.