Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
29 april 2017 heeft verweerder dit verzoek afgewezen en omgezet naar een individueel uitstelverzoek. Vervolgens is uitstel verleend tot 1 november 2017.
23 maart 2018 als uiterste reactiedatum is gegeven. Op 23 maart 2018 was de aangifte nog steeds niet ingediend.
€ 750.000 voor de verkoop van [adresgegevens] zijn nog overige correcties van
€ 48.479 nagevorderd.
€ 30.319.
- of eiseres ter zake van de verkoop van [adresgegevens] in 2016 aan [B.V. 6] de juiste verkoopprijs tot haar winst heeft gerekend;
- of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat de vereiste aangifte niet is gedaan; en
- of de vereiste feiten en omstandigheden waarop de (voorwaardelijk) opzet wordt gebaseerd buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
[B.V. 2] noodgedwongen is verkocht aan de hoogste bieder en dat de verkoopprijs van € 1.000.000 derhalve op een zakelijke wijze tot stand is gekomen. Zij onderbouwt deze stelling met een op 14 juni 2022 ondertekende verklaring van [persoon F] , (indirect) aandeelhouder van [B.V. 3] . De € 700.000 die na de verkoop en levering is uitbetaald aan [B.V. 4] vormt een vergoeding voor de bemiddelingswerkzaamheden van [persoon D] en is als omzet verantwoord in de administratie van [B.V. 4] , aldus eiseres. Daarom zijn de navorderingsaanslag en de vergrijpboete volgens eiseres ten onrechte opgelegd. Voor wat betreft de vergrijpboete stelt zij subsidiair over een pleitbaar standpunt te beschikken.
€ 686.703 vastgesteld dient te worden. Verweerder voert verder aan dat de vergrijpboete vanwege (voorwaardelijk) opzet van eiseres terecht is opgelegd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend naar een belastbare winst van € 907.079 en een belastbaar bedrag van € 636.703;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- vermindert de vergrijpboete tot € 5.666;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.518;
- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 360 vergoedt.
mr. W.W. Monteiro, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg, griffier.