Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de compensatie van de transitievergoeding die zij aan haar ex-werknemer heeft betaald. De arbeidsovereenkomst van de ex-werknemer werd in 2019 aangepast en in 2020 beëindigd met een vaststellingsovereenkomst. Verweerder heeft de compensatie van de transitievergoeding in twee besluiten vastgesteld, waarbij hij voor het deel tot 1 januari 2020 de oude WWZ-rekenregels toepaste en voor het deel vanaf 1 januari 2020 de nieuwe WAB-rekenregels.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het einde van de wachttijd van 104 weken vóór 1 januari 2020 lag, maar de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2020 plaatsvond. Op grond van artikel XIII, tweede lid, van de WAB is de nieuwe rekenregel dan dwingend van toepassing. Eiseres voerde aan dat bijzondere omstandigheden, waaronder het late bezwaar van de ex-werknemer tegen het WIA-besluit en het Xella-arrest, tot een andere uitkomst moesten leiden, maar de rechtbank verwierp dit.
De rechtbank oordeelde dat verweerder juist heeft gehandeld en dat eiseres het risico van de late bezwaarafhandeling niet op verweerder kan afwentelen. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is daarom ongegrond. Wel werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.