Partijen, voormalige samenwonenden met een gezamenlijke woning en een dochter, zijn eigenaar geworden van een perceel met woning die zij samen hebben gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Na beëindiging van hun affectieve relatie in november 2021 ontstond een geschil over de verdeling van de woning en financiële afwikkeling.
De rechtbank stelt vast dat partijen deelgenoten zijn in een gemeenschap en dat de woning aan de gedaagde wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat hij de hypotheek overneemt en de eiseres ontslaat uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Omdat partijen het niet eens zijn over de waarde van de woning, beveelt de rechtbank een gezamenlijke taxatie die als bindend advies zal gelden.
Verder oordeelt de rechtbank dat de door de gedaagde betaalde hypotheeklasten en WOZ-aanslagen tot 1 januari 2022 niet verhaald kunnen worden omdat partijen feitelijk anders zijn gaan handelen dan in het samenlevingscontract was overeengekomen. Voor de periode daarna geldt dat de gedaagde de woning exclusief gebruikt en een gebruiksvergoeding verschuldigd is. De vordering van de eiseres tot gebruiksvergoeding wordt afgewezen omdat deze reeds wordt verrekend met de hypotheeklasten.
De rechtbank wijst ook toe dat het saldo van het bouwdepot bij helfte wordt verdeeld en wijst de vordering tot betaling van de helft van de kosten van de woninginrichting af, omdat deze goederen niet gemeenschappelijk eigendom zijn maar tot de onderneming van de gedaagde behoren. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.