ECLI:NL:RBGEL:2022:6215
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tarief overdrachtsbelasting bij verkrijging kavel met bebouwing
Eiseres en haar echtgenoot hebben in 2020 een kavel verkregen waarop zich een deel van een voormalige woning bevond, waaronder een buitenmuur en een terras. De vraag was of deze kavel kwalificeerde als woning in de zin van artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr), zodat het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting van toepassing zou zijn.
De rechtbank overwoog dat het tarief van 2% geldt voor onroerende zaken die naar hun aard bestemd zijn voor bewoning op het moment van overdracht. De kavel bestond uit een gesplitst perceel waarop de voormalige woning was gesloopt en verdeeld in meerdere kavels, waarbij de bebouwing op de kavel minder dan 1% van de oorspronkelijke woning besloeg. De rechtbank stelde vast dat de kavel daardoor geen zelfstandige woning vormt en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat het perceel naar zijn aard bestemd was voor bewoning.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad die een objectieve maatstaf hanteert bij de vraag of een onroerende zaak een woning is. Gezien de verkaveling en het feit dat de voormalige woning op meerdere kavels lag, was er geen sprake van een woning in de zin van de Wbr. Daarom was het reguliere tarief van 6% overdrachtsbelasting terecht toegepast en werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank wees ook op het ontbreken van bewijs dat de bebouwing op de kavel zelfstandig bestemd was voor bewoning en dat tijdelijke bewoning of toekomstige plannen niet relevant zijn voor de kwalificatie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat het beroep ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het reguliere tarief van 6% overdrachtsbelasting blijft van toepassing.