4.1.De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat in horeca-inrichting [horeca-inrichting] sprake was van overtreding van de coronaregels. De burgemeester heeft zich gebaseerd op het politierapport, maar uit dit politierapport kan onvoldoende worden geconcludeerd dat er sprake was van een dergelijke overtreding.
Van de andere overtredingen, zoals genoemd onder rechtsoverweging 4 onder 1, 2 en 4, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat deze hebben plaatsgevonden. De omstandigheid dat verzoekers het bezwaar tegen de last onder bestuursdwang met betrekking tot de coronamaatregelen hebben ingetrokken, maakt niet dat niet van de aannemelijkheid van die overtreding kan worden uitgegaan.
Toetsingskader ‘slecht levensgedrag’
5. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
25 mei 2022, rechtsoverweging 3.2., is weergegeven op welke wijze getoetst moet worden of sprake is van slecht levensgedrag. Daaruit volgt - kort samengevat en voor zover hier van belang - het volgende.
Bij de invulling van de eis over het levensgedrag komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Ten tijde van de aanvraag van de alcoholvergunning door verzoekers en ten tijde van
de bestreden besluiten had de burgemeester nog geen beleidsregels vastgesteld voor de invulling van de beoordelingsruimte. Dat betekent dat de burgemeester moet motiveren:
- waarom de feiten relevant zijn voor de exploitatie van het horecabedrijf (het relevantiecriterium);
- hoe een betrokkene vooraf had kunnen weten dat hij, gezien die feiten, niet aan de voorwaarde met betrekking tot het levensgedrag voldoet (het evidentiecriterium).
6. De voorzieningenrechter overweegt dat de feiten en omstandigheden verband moeten houden met de vraag of het horecabedrijf kan worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd dat de onder rechtsoverweging 4 genoemde feiten 1, 2 en 4, relevant zijn voor de exploitatie van een horecabedrijf. Wat betreft het feit zoals genoemd onder 1 heeft de burgemeester terecht erop gewezen dat uit artikel 3.4 van het Alcoholbesluit (Ab) volgt dat dit feit relevant is.
7. De burgemeester heeft op 21 oktober 2022 de Beleidsregels beoordeling levensgedrag 2022 (de beleidsregels) vastgesteld, die op 27 oktober 2022 zijn gepubliceerd en op
28 oktober 2022 in werking zijn getreden. Deze beleidsregels zijn niet betrokken bij de bestreden besluiten, die van 27 oktober 2022 zijn. In het verweerschrift van 22 november 2022 heeft de burgemeester gesteld dat de beleidsregels wel bij het besluit op bezwaar kunnen worden betrokken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat niet juist.
De eis dat een betrokkene ‘vooraf’ had kunnen weten dat hij niet aan de voorwaarde met betrekking tot het levensgedrag voldoet, betekent dat hij dat vóór het aanvragen van de vergunning, of, indien het om feiten gaat die tussen de aanvraag en het besluit zijn voorgevallen, zoals bij feit 4, ten tijde van dat feit had kunnen weten. De beleidsregels kunnen niet van invloed zijn op de toets ‘vooraf’ omdat de beleidsregels er toen nog niet waren.