Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
“als de ter beschikking stelling eindigt op verzoek van de opdrachtgever ((BW 7:691 lid 2 BW)”….
Rechtbank Gelderland
De werknemer trad in april 2019 in dienst bij een uitzendbureau en werkte vanaf maart 2021 bij de werkgever als productiemedewerker. De arbeidsovereenkomst eindigde van rechtswege op 31 mei 2022 omdat de opdrachtgever de werkzaamheden stopzette. De werknemer trad aansluitend in dienst bij een andere onderneming die de werkzaamheden voortzette.
De werknemer vorderde betaling van de wettelijke transitievergoeding, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten van de voormalige werkgever. De werkgever verweerde zich met het beroep op overgang van onderneming en opvolgend werkgeverschap.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever niet werd verlengd en daardoor rechtsgeldig eindigde. De overgang van onderneming was niet relevant omdat de arbeidsovereenkomst op dat moment al was geëindigd. Opvolgend werkgeverschap ontslaat de werkgever niet van de verplichting tot betaling van transitievergoeding. De gevorderde vergoeding en bijkomende kosten werden toegewezen.
De beschikking werd uitgesproken op 21 oktober 2022 door de kantonrechter en veroordeelde de werkgever tot betaling binnen twee dagen na beschikking, inclusief rente en incassokosten.
Uitkomst: Werkgever is verplicht de transitievergoeding te betalen ondanks opvolgend werkgeverschap.