Eiser, een Indiase staatsburger, kwam in januari 2017 naar Nederland voor studie en had tijdelijk verblijf met verblijfsvergunningen. Hij stond ingeschreven in de Nederlandse basisregistratie personen en deed aangifte inkomstenbelasting als binnenlands belastingplichtige. Na afronding van zijn studie zocht hij werk, waarbij hij solliciteerde bij een Indiaas bedrijf met een Nederlandse vestiging.
Verweerder wees het verzoek om toepassing van de 30%-regeling af omdat eiser volgens hem fiscaal inwoner van Nederland was vanaf januari 2017. De rechtbank oordeelde echter dat eiser geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had op het moment van indiensttreding bij [werkgever 1]. Het verblijf was tijdelijk en gericht op studie en werkzoeking, en de sollicitatie betrof een Indiaas bedrijf.
De rechtbank stelde vast dat eiser kwalificeert als ingekomen werknemer en dat de 30%-regeling van toepassing is, maar met een korting van 32 maanden vanwege het eerdere verblijf in Nederland. Hierdoor kan eiser vanaf 1 september 2019 nog 28 maanden gebruikmaken van de regeling.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en wees het verzoek toe. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiser vergoed.