Belanghebbende, een Jordaanse nationaliteit houdende vrouw, kwam in Nederland voor studie en kreeg meerdere tijdelijke verblijfstitels. Na afronding van haar studie en een zoekjaar, trad zij in dienst bij een werkgever met een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De inspecteur weigerde toepassing van de 30%-regeling omdat zij volgens hem bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst in Nederland woonde.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of belanghebbende bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een duurzame persoonlijke band met Nederland had. Het hof oordeelde dat de beperkte verblijfsrechten voorafgaand aan het dienstverband en het vooruitzicht op het aflopen daarvan de duurzame band belemmerden. Het enkel verblijf voor studie en zoekjaar, ondanks inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie en het hebben van een ziektekostenverzekering, was onvoldoende voor een duurzame band.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep toe. De bewijsregel van de 30%-regeling kon daarom worden toegepast met ingang van 1 januari 2017. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en werd belanghebbende de griffierechten vergoed.