De zaak betreft een last onder dwangsom die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren aan een derde-partij is opgelegd wegens het aanleggen van een laanboomkwekerij zonder omgevingsvergunning in een teeltvrije zone. Na bezwaar heeft het college de last onder dwangsom met aanvullende motivering in stand gelaten, maar later ingetrokken nadat de derde-partij een omgevingsvergunning voor de teelt van laanbomen in de teeltvrije zone heeft verkregen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de intrekking van de last onder dwangsom en het overige in de beslissing op bezwaar dat ongewijzigd bleef. De rechtbank stelt vast dat de intrekking terecht is omdat de laanboomteelt onder de vrijstellingsbepaling van artikel 24.4.2 van het bestemmingsplan valt. De rechtbank volgt de uitleg van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat planregels letterlijk moeten worden uitgelegd en dat de vrijstelling niet beperkt is tot bestaande situaties.
De rechtbank oordeelt dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan waaruit blijkt dat op het perceel laanbomen worden gekweekt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek van de derde-partij om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat eiseres gebruik heeft gemaakt van haar recht om handhaving te verzoeken. De beslissing op bezwaar blijft daarmee in stand.