Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te Nijmegen op 1 januari 2020, vastgesteld op €608.000. Verweerder baseert deze waarde op een taxatierapport waarin de woning wordt gewaardeerd op €697.000, onderbouwd met verkoopprijzen van vergelijkbare woningen in de omgeving.
Eiser stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten en voert aan dat de WOZ-waarde altijd lager moet zijn dan de economische waarde, waarbij hij een lagere waarde van €599.600 voorstaat. De rechtbank wijst dit af en benadrukt dat de WOZ-waarde juist de waarde in het economische verkeer moet weerspiegelen. Het eigen aankoopbedrag van de woning in februari 2019 wordt als bruikbaar en representatief beschouwd, mede omdat de woning minder dan een jaar voor de waardepeildatum werd gekocht.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is en dat de gebruikte vergelijkingsobjecten representatief zijn. Tevens erkent de rechtbank dat de motivering in de uitspraak op bezwaar te summier was en bepaalt dat het door eiser betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waarbij het financiële belang van eiser in de procedure als gering wordt aangemerkt.