Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende is eigenaar van een winkelpand in een overdekt winkelcentrum en betwistte de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €465.000 per 1 januari 2015. De Heffingsambtenaar baseerde de waarde op een taxatierapport met de huurwaardekapitalisatiemethode en vergelijkingsmethode, waarbij de oppervlaktematen in de beroepsfase waren aangepast na een inpandige inmeting.
Belanghebbende stelde dat de oorspronkelijke oppervlaktematen onjuist waren en dat dit hem noopte tot het instellen van beroep, met een verzoek tot proceskostenvergoeding. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar bevoegd was de waarde en oppervlaktematen in de beroepsfase anders te onderbouwen en dat de nieuwe oppervlaktematen aannemelijk juist waren vastgesteld.
Omdat belanghebbende niet met concrete argumenten kwam om de nieuwe maten te betwisten en hij ter zitting aangaf te zullen berusten in de vastgestelde waarde indien de oppervlaktematen juist waren, achtte het Hof het geschil over de waarde opgelost. Het verzoek tot proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat belanghebbende in redelijkheid eerder bezwaar had kunnen maken tegen de oorspronkelijke maten.
Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen vergoeding van griffierecht toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €465.000 wordt bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.