De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een overkapping en het afwijken van het bestemmingsplan. De vergunninghouder had de overkapping reeds gerealiseerd en wilde deze legaliseren.
Eiser voerde aan dat het college onvoldoende had onderzocht wat de werkelijke afstand was tussen de overkapping en zijn erfgrens, dat de sneltoetscriteria niet werden nageleefd en dat de vergunning onevenredige nadelige gevolgen had voor zijn privacy. De rechtbank oordeelde dat het college gebonden was aan de maatvoeringen in de aanvraag en dat afwijkingen een handhavingskwestie zijn. De sneltoetscriteria waren niet van toepassing omdat het perceel niet in een preventief getoetst gebied ligt.
Met betrekking tot de privacy stelde de rechtbank vast dat het college de belangen zorgvuldig had afgewogen en dat de nadelige gevolgen niet onevenredig waren in verhouding tot de doelen van de vergunningverlening. De aanwezigheid van een beukenhaag, de afstand tot de slaapkamer en het beperkte uitzichtverlies ondersteunen dit oordeel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het besluit op bezwaar en wees het griffierecht en proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Bruinse-Pot op 12 juni 2023.