Verzoeker werkte op basis van een uitzendovereenkomst en kreeg een WW-uitkering toegekend die later onterecht werd ingetrokken door het UWV wegens vermeende verwijtbare werkloosheid. Na bezwaar en beroep werd het besluit herroepen en de uitkering alsnog toegekend. Verzoeker vroeg vervolgens schadevergoeding voor de geleden financiële schade en gemaakte juridische kosten.
Het UWV kende een vergoeding toe van € 37,77 aan wettelijke rente over de te laat uitbetaalde uitkering. Verzoeker vorderde een hogere schadevergoeding van € 1.475,- voor eigen bijdragen aan rechtsbijstand, maar kon niet aannemelijk maken dat deze kosten rechtstreeks verband hielden met het onrechtmatige besluit.
De rechtbank overweegt dat immateriële schade slechts in uitzonderlijke gevallen wordt vergoed en dat het Besluit proceskosten bestuursrecht een uitputtende regeling bevat voor vergoeding van proceskosten, waarbij eigen bijdragen niet worden vergoed. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om een hogere vergoeding toe te kennen.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek om een hogere schadevergoeding af en blijft het toegekende bedrag van € 37,77 in stand. Verzoeker krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.