1.2.Op 18 februari 2020 is het faillissement uitgesproken van de B.V. Het college heeft hierop bij het primaire besluit besloten het resterende bedrag van de lening terug te vorderen tot een bedrag van € 31.822,77. Een kopie van dit besluit, van de toekenningsbeschikking van de lening en de akte van bezitloos pandrecht heeft het college aan de curator gezonden.
De curator heeft het college daarop bericht dat uit de toegezonden stukken blijkt dat het college een vordering heeft op eiser en niet op de B.V., zodat de vordering niet kan worden geplaatst (op, naar de rechtbank aanneemt, de lijst van voorlopig erkende crediteuren).
2. Aan het bestreden besluit heeft het college - kort samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. De lening voor bedrijfskapitaal is aan eiser in zijn toenmalige hoedanigheid van zelfstandige in de zin van artikel 1, onder b. van het Bbz verstrekt en niet aan een rechtspersoon (de B.V.). De B.V. is op 18 februari 2020 failliet verklaard. Door het faillissement kan eiser niet meer worden aangemerkt als zelfstandige en op grond van artikel 39, tweede lid sub c., van het Bbz 2004, is de lening bij een faillissement terstond opeisbaar. Dit staat los van het pandrecht dat is gevestigd. Artikel 43, derde lid, van het Bbz 2004 bepaalt dat de lening die de zelfstandige bij de beëindiging op grond van het eerste lid gehouden is terug te betalen, een lening is als bedoeld in artikel 58, tweede lid, onder b, van de Participatiewet (Pw). De stelling van eiser dat het college niet bij hem maar bij de B.V. moet zijn, vindt dan ook geen steun in het recht. Er zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, aldus het college.
3. Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de toepasselijke wet- en regelgeving en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het college heeft onvoldoende “gevoel voor verhoudingen” getoond en eisers rechtsgevoel is in het gedrang gekomen. Ten onrechte heeft het college de terugvordering bij hem ingesteld, aangezien de verplichtingen van de lening vanwege de wijziging van de bedrijfsvorm zijn overgegaan naar de B.V. en het college wist van de inbreng van de lening in de B.V. en van de overgang van de verpande bedrijfsmiddelen naar de B.V. Het college heeft na de wijziging van de bedrijfsvorm per 1 juni 2016 geen enkele nadere stap gezet, dit terwijl artikel 39, tweede lid, onder b, van het Bbz 2004 hier wel aanleiding toe geeft. Daarom heeft te gelden dat het college stilzwijgend heeft ingestemd met de inbreng en/of de wijzing van de rechtsvorm en/of de overgang van de verplichtingen uit de lening naar de B.V. en daarmee van (civielrechtelijke) instemming met de contractsoverneming. Ook uit de toekenningsbeschikking blijkt dat de lening direct opeisbaar wordt op het moment dat de juridische bedrijfsvorm van de onderneming wordt gewijzigd, tenzij dat met toestemming van het college is geschied. Het college heeft toen de lening niet met toepassing van artikel 39, tweede lid, van het Bbz opgeëist. Er is gezien de feitelijke gang van zaken ook sprake van (een overeenkomst tussen eiser en de B.V. tot) schuldoverneming door de B.V. Met de inbreng van de eenmanszaak in de B.V. is het pandrecht op de ten tijde van de inbreng aanwezige bedrijfsmiddelen/inventaris en vervoermiddelen overgegaan naar de B.V. Het college heeft haar pandrecht niet ingeroepen tegenover de curator maar had dat wel kunnen en moeten doen. Dat het college zich heeft laten afbluffen door de curator, moet voor zijn rekening komen. Ondanks dat er op de datum van het faillissement nog een pandrecht rustte op een aanzienlijke hoeveelheid zaken, met een waarde die het openstaande bedrag van de lening overtreft, heeft het college geen gebruik gemaakt van dit pandrecht. Het pandrecht is daarna vervallen omdat alle bedrijfsmiddelen door de curator zijn verkocht in het kader van een doorstart.
Beoordeling door de rechtbank
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de lening voor bedrijfskapitaal aan eiser is verstrekt en niet de B.V.