Eiser, beëdigd in 2018 en deelnemer aan de beroepsopleiding advocaten, heeft driemaal het examen major bestuursrecht afgelegd zonder voldoende resultaat te behalen. Vanwege medische klachten aan zijn rechterarm en andere persoonlijke omstandigheden verzocht hij om een extra toetskans op grond van de hardheidsclausule in artikel 3.19, zesde lid, van de Verordening op de advocatuur (Voda). De Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten wees dit verzoek af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de medische problematiek van eiser bekend en voorzienbaar was bij aanvang van de opleiding en dat de toegekende bijzondere voorzieningen tijdens de toetsen adequaat waren. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van overmacht tijdens de toetsmomenten of dat hij alles heeft gedaan om de effecten van zijn beperkingen te verminderen. Ook de psychische situatie van zijn partner en het overlijden van haar broer werden niet als overmacht erkend.
De rechtbank benadrukt dat de Algemene Raad een restrictief beleid voert bij toepassing van de hardheidsclausule, gericht op het waarborgen van de kwaliteit van de advocatuur. Dit beleid is terughoudend getoetst en als redelijk beoordeeld. De door eiser gevolgde leergang bestuurs(proces)recht aan de universiteit vormt geen gelijkwaardig alternatief voor het examen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen extra toetskans krijgt en het griffierecht niet wordt terugbetaald.