Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2023:7325

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 juni 2023
Publicatiedatum
26 april 2024
Zaaknummer
10564351
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 BWArt. 4:193 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek bewindvoerder tot verwerping nalatenschap na termijn overschrijding

In deze zaak heeft de bewindvoerder verzocht om machtiging om de nalatenschap van de zus van de onder bewind gestelde rechthebbende te verwerpen. De bewindvoerder handelt namens de rechthebbende die onder bewind staat wegens geestelijke of lichamelijke toestand.

De kantonrechter heeft beoordeeld dat op grond van artikel 4:193 BW Pro een wettelijk vertegenwoordiger binnen drie maanden na het openvallen van een nalatenschap een verklaring van beneficiaire aanvaarding of verwerping moet afleggen. Bij het verstrijken van deze termijn wordt de nalatenschap geacht beneficiair te zijn aanvaard. Hoewel het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een eerdere beschikking het proportionaliteitsbeginsel toepaste en oordeelde dat de bewindvoerder niet als wettelijk vertegenwoordiger in de zin van artikel 4:193 BW Pro geldt, volgt de kantonrechter dit oordeel niet.

De kantonrechter benadrukt het belang van rechtszekerheid voor personen onder bewind en stelt dat de bescherming van artikel 4:193 BW Pro voorrang heeft boven het proportionaliteitsbeginsel. Ook wordt het lex specialis-karakter van artikel 1:441, vijfde lid, BW ten opzichte van artikel 4:193 BW Pro betwijfeld. Gezien het verstrijken van de termijn van drie maanden wordt de nalatenschap geacht beneficiair te zijn aanvaard en is het verzoek van de bewindvoerder niet ontvankelijk verklaard.

Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De bewindvoerder is niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek om machtiging tot verwerping van de nalatenschap wegens het verstrijken van de wettelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team bewind en erfrecht
Zittingsplaats Zutphen
registernummer: [nummer]
zaaknummer: 10564351 BH VERZ 23-20596
uitspraak van 28 juni 2023

beschikking van de kantonrechter

betreffende

[naam rechthebbende] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres en woonplaats] ,
hierna te noemen: rechthebbende,
over wier goederen bewindvoerder is

[naam bewindvoerder] ,

correspondentieadres: [correspondentieadres] ,
hierna te noemen: bewindvoerder.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- het verzoekschrift met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 19 juni 2023.

De feiten

Bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 26 maart 2012 is een bewind ingesteld over alle goederen die rechthebbende (zullen) toebehoren wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand, met benoeming van [naam bewindvoerder] tot bewindvoerder.

Het verzoek

De bewindvoerder heeft verzocht om machtiging te verlenen om de nalatenschap van de zus van rechthebbende, mevrouw [naam erflaatster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , overleden te [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum] , te mogen verwerpen, op de gronden zoals vermeld in het verzoekschrift.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:441 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder. Het vijfde lid van artikel 1:441 BW Pro bepaalt dat de bewindvoerder met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd is een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders dan aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Een bewind strekt zich mede uit tot de toekomstige goederen van de rechthebbende.
Op grond van artikel 4:193, eerste lid, van het BW kan een wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam voor rechthebbende een nalatenschap niet zuiver aanvaarden en moet hij voor verwerping daarvan machtiging van de kantonrechter hebben. De wettelijk vertegenwoordiger is verplicht om binnen drie maanden na het openvallen van de nalatenschap een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen. Heeft de wettelijk vertegenwoordiger de termijn laten verlopen, dan geldt op grond van artikel 4:193 lid 2 BW Pro de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard.
In de beschikking van 11 oktober 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:8787) heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met een beroep op het proportionaliteitsbeginsel overwogen dat artikel 1:441, vijfde lid, BW dient te worden aangemerkt als lex specialis ten opzichte van artikel 4:193, tweede lid, BW. Degene van wie de goederen onder bewind staan, valt volgens het gerechtshof niet onder het bepaalde in art. 4:193 BW Pro en een beschermingsbewindvoerder wordt niet gezien als een wettelijk vertegenwoordiger van de rechthebbende als bedoeld in art. 4:193 BW Pro. Naar het oordeel van het gerechtshof leidt dit ertoe dat de nalatenschap niet van rechtswege beneficiair is aanvaard na verloop van drie maanden, doch dat de opengevallen nalatenschap ook na die periode van drie maanden nog door rechthebbende kan worden verworpen.
Aan de kantonrechter is niet gebleken dat de overige gerechtshoven het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zoals vastgelegd in voormelde beschikking, hebben gevolgd.
In het onderhavige geval is de termijn van drie maanden ten tijde van het indienen van het verzoek reeds ruimschoots verstreken. Onder verwijzing naar voormelde beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vraagt verzoeker machtiging om de nalatenschap van erflater voor rechthebbende alsnog te mogen verwerpen.
De kantonrechter volgt de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet, onder meer gezien de vergaande consequenties voor wat betreft de rechtsbescherming van degenen van wie de goederen onder bewind zijn gesteld en de daarvoor noodzakelijke zekerheid in het rechtsverkeer, en overweegt daartoe het volgende.
Rechtszekerheid
Hoewel de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betrekking heeft op een verzoek van een professionele beschermingsbewindvoerder, heeft deze ook gevolgen voor de zogenoemde familiaire bewindvoerders. Zij zijn vaak medegerechtigd in dezelfde nalatenschap als de rechthebbende. Met zekere regelmaat moeten familiaire bewindvoerders erop worden gewezen dat zij namens rechthebbende aanspraak moeten maken op diens legitieme portie (waarmee hun eigen aanspraak op de nalatenschap wordt verminderd). Veelal wordt aangegeven dat dit niet de wens is van erflater, dat rechthebbende het geld niet nodig heeft of dat de (geestelijk beperkte) rechthebbende de wens heeft de nalatenschap aan zijn familieleden te laten. Door de beschikking van het gerechtshof ontstaat ongewenste ruimte voor familiaire bewindvoerders om niet in het belang van rechthebbende te handelen.
De beschikking van het gerechtshof is ingegeven door het argument van proportionaliteit van de beschermingsmaatregel van bewind. Deze beslissing kan er echter ook toe leiden dat de verderstrekkende maatregel van curatele vaker wordt uitgesproken, indien degenen van wie de goederen onder bewind staan de bescherming van art. 4:193, tweede lid, BW ontberen. Buiten kijf staat immers dat deze bepaling van toepassing is op curatele en dat de curator als wettelijk vertegenwoordiger heeft te gelden.
De kantonrechter overweegt voorts dat er thans ingrijpende verschillen (dreigen te) ontstaan in de rechtsbescherming van de degenen van wie de goederen onder bewind zijn gesteld, met onzekerheid voor rechthebbenden tot gevolg. De kantonrechter acht dit in strijd met de juist voor deze categorie van personen gewenste rechtszekerheid. Daarnaast geldt dat de in art. 4:193, tweede lid, gestelde termijn rechtszekerheid biedt aan alle bij de nalatenschap betrokkenen (in gelijke zin: beschikking 10 februari 2023, Rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2023:743). De bescherming die voor rechthebbenden uitgaat van het beginsel van rechtszekerheid, gaat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook voor op het proportionaliteitsbeginsel.
Lex specialis
De kantonrechter meent voorts, anders dan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat het niet zo evident is dat artikel 1:441, vijfde lid, BW als lex specialis heeft te gelden. Zij stelt vast dat artikel 1:441 BW Pro in werking is getreden op 1 september 1982. Met ingang van 1 januari 2003 vond er een tekstuele wijziging plaats en is het woord “erfenis” vervangen door het woord “nalatenschap”. Artikel 4:193 BW Pro is eerst in werking getreden per 1 januari 2003. Het ligt dan naar het oordeel van de kantonrechter niet voor de hand om ervan uit te gaan dat art. 1:441, vijfde lid, BW een lex specialis is van art. 4:193 BW Pro. Artikel 1:441, vijfde lid, BW is immers van aanzienlijk oudere datum dan artikel art. 4:193 BW Pro, terwijl door de tekstuele wijziging per 1 januari 2003 van artikel 1:441, vijfde lid, BW de inhoud van die bepaling niet verandert. Nu in de wetsgeschiedenis van het later ingevoerde art. 4:193 BW Pro daarover niet met zoveel woorden iets is opgenomen, bestaat er onvoldoende aanleiding om van een lex specialis uit te gaan mede gezien de hiervoor aangegeven ingrijpende gevolgen voor de rechtszekerheid.
Zo al zou moeten worden uitgegaan van een lex specialis, wat de kantonrechter dus niet doet, dan kan slechts worden geconstateerd dat art. 1:441, vijfde lid, BW in dat geval enkel een lex specialis voor de aanvaarding van een nalatenschap inhoudt. Over de verwerping van de nalatenschap wordt in dit artikellid niet gesproken. Niet blijkt dat is beoogd voor de termijn zoals genoemd in artikel 4:193 BW Pro en de effecten van het verlopen van die termijn iets anders te bepalen in het geval van beschermingsbewind.
Opgemerkt wordt nog dat in het antwoord van de minister op Kamervragen in 2011 de beschermingsbewindvoerder wel als wettelijk vertegenwoordiger van de rechthebbende wordt gezien. De minister geeft aan dat de bewindvoerder een ruime taakomschrijving toekomt (Handelingen 2011/2012, 33054 nr. 3), en in de vervulling van die taak is, aldus de minister, de bewindvoerder de wettelijk vertegenwoordiger van de rechthebbende voor wat betreft de onder bewind staande goederen.
De kantonrechter stelt tot slot vast, dat in dit geval de termijn van drie maanden als bedoeld in art. 4:193, tweede lid, BW is verstreken en dat de nalatenschap derhalve van rechtswege beneficiair is aanvaard. Verzoeker is dan ook niet ontvankelijk in haar verzoek.

De beslissing

De kantonrechter:
- verklaart de bewindvoerder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot machtiging om de nalatenschap te verwerpen.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. S. Boot en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2023.
Tegen deze beslissing kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
a. door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden:
binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.