Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[opgeëiste persoon],
Rechtbank Gelderland
De rechtbank Gelderland behandelde op 16 februari 2024 het verzoek tot verlenging van de gevangenhouding van een opgeëiste persoon in een uitleveringsprocedure. De zaak betreft een uitleveringsverzoek dat op 24 november 2023 toelaatbaar is verklaard en onherroepelijk is geworden op 8 december 2023. De gevangenhouding was reeds verlengd op 12 januari 2024 op basis van artikel 38 lid 3 sub b Uitleveringswet Pro.
De verdediging stelde dat de verlenging van 12 januari onjuist was omdat geen nieuwe stukken door de minister waren opgevraagd, wat volgens hen een vereiste is voor verlenging op die grondslag. De officier van justitie betoogde dat een op het laatste moment ingediende zienswijze van de verdediging een zorgvuldige beoordeling vereiste, mogelijk met nieuwe stukken, waardoor verlenging gerechtvaardigd is.
De rechtbank oordeelde dat artikel 33 lid 3 Uitleveringswet Pro ruimte biedt voor aanhouding van de beslissing door de minister met het oog op zorgvuldige beoordeling, ook als achteraf blijkt dat geen nieuwe stukken zijn opgevraagd. De verlenging van de gevangenhouding werd daarom niet onregelmatig bevonden. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen vanwege het aanwezige vluchtgevaar en de aard van de uitleveringsdetentie.
De rechtbank verlengde de gevangenhouding voor dertig dagen op basis van artikel 38 lid 3 sub d Uitleveringswet Pro, na de toewijzende beslissing van de minister. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer in raadkamer, waarbij de raadsman en officier van justitie werden gehoord.
Uitkomst: De rechtbank verlengt de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met dertig dagen en wijst het verzoek tot schorsing af.