De rechtbank Gelderland behandelde het beroep van eiseres tegen besluiten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) over de toekenning van kinderbijslag. De kern van het geschil betrof de periode van het eerste kwartaal 2021 tot en met het eerste kwartaal 2022, waarin eiseres stelde recht te hebben op de helft van de kinderbijslag vanwege co-ouderschap. De rechtbank stelde vast dat op grond van een beschikking van 9 februari 2021 sprake was van co-ouderschap, waarbij de kinderen in overwegend gelijke mate bij beide ouders verbleven en dat er geen kinderalimentatie was vastgesteld, waardoor het onderhoud gelijk verdeeld moest worden geacht.
De SVB had echter de volledige kinderbijslag over deze periode aan de derde-partij toegekend, stellende dat deze de hoogste bijdrage in het onderhoud leverde. De rechtbank oordeelde dat dit besluit onmiskenbaar onjuist was omdat de SVB op basis van de beschikbare gegevens de uitkering correct had kunnen vaststellen en de beleidsregel SB1096 en SB1076 niet juist had toegepast. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de uitbetaling aan de derde-partij over het tweede kwartaal 2021 tot en met het eerste kwartaal 2022 betrof en beval de SVB een nieuw besluit te nemen.
Voor het eerste kwartaal 2021 oordeelde de rechtbank dat geen sprake was van co-ouderschap en dat de SVB terecht de kinderbijslag aan de derde-partij had toegekend. De rechtbank wees ook proceskosten en griffierecht toe aan eiseres vanwege het gegrond verklaren van het beroep.